Rechtbank Den HAAG
AJJ
Rep.nr.: 4273931 RP VERZ 15-50492
Datum: 4 september 2015
Beschikking in de zaak van:
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Federatie Nederlandse Vakbeweging (“FNV”),
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. W.M. Engelsman,
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. J.W. Dengerink.
Partijen worden aangeduid als “de FNV” en “ [verweerster] ”.
1 Het verloop van de procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- -
het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 juli 2015;
- -
het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2015.
1.2.
Op 19 augustus 2015 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. Namens de FNV is verschenen E. Schaper, algemeen directeur en A. Stadermann, directiesecretaris, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen met haar gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht, mr. Engelsman aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting.
2 De feiten
De kantonrechter gaat op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het volgende uit.
2.1.
[verweerster] is sinds [2012] bij de FNV in dienst, laatstelijk in de functie van [functie] , tegen een salaris van € 6.863,- bruto per maand (inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering). Tot 1 januari 2015 was [verweerster] werkzaam als [functie] bij Abvakabo FNV.
2.2.
Per 1 januari 2015 zijn de verschillende vakbonden, FNV Bondgenoten, Abvakabo FNV, FNV Bouw en FNV Sport gefuseerd met de FNV. Als gevolg daarvan zijn de werkorganisaties van de verschillende bonden gefuseerd. In 2013 is het “Sociaal Plan FNV in Beweging” (hierna: het Sociaal Plan) overeengekomen, welke duurt van 1 maart 2013 tot 1 oktober 2018. Aan het hoofd van de nieuwe werkorganisatie staat de Algemeen Directeur, E. Schaper (hierna: Schaper). Naast Schaper bestaat het Management Team van de FNV werkorganisatie uit een Financieel Directeur, een Directeur Sectoren en een [functie] ( [verweerster] ).
2.3.
Bij email van 20 september 2014 heeft [verweerster] aan Schaper het volgende medegedeeld:
‘Ik vond ons gesprek gisteren heel plezierig. Ik heb dan ook besloten dit weekeinde mijn cv in te sturen waarmee ik mijn belangstelling kenbaar maak. Ik zie veel mogelijkheden om er een succes van te maken maar eenvoudig zal het niet zijn. (…) Ik laat mij hier niet door afschrikken maar ik wil wel een way-out. Mocht het zo zijn dat een van de partijen het niet meer met elkaar ziet zitten moeten we ook afscheid kunnen nemen zonder al te veel gedoe. Ik wil dan ook dat het sociaal plan op mij van toepassing blijft. (…)’
Schaper reageert hierop per mail d.d. 21 september 2014 als volgt:
‘Ik vond het ook een fijn gesprek en ben heel blij dat je de stap gemaakt hebt om te solliciteren. (…) Ik zou het voor alle managers wel een goed idee vinden om bv een jaar een evaluatiemoment af te spreken zoals jij aangeeft en als het dan niet blijkt te werken terug te kunnen vallen op Sociaal Plan.’
2.4.
Per brief van 30 januari 2015 heeft de FNV aan [verweerster] bevestigd dat zij met ingang van 1 januari 2015 is benoemd tot [functie] . In de brief is voorts het volgende vermeld:
‘Zoals afgesproken zal er in december 2015 een evaluatiegesprek plaatsvinden. Mocht onverhoopt blijken dat onze wederzijdse verwachtingen niet zijn uitgekomen kunnen wij beide besluiten ook uw benoeming niet te continueren. In dat geval bent u opnieuw boventallig conform artikel 2.4.2. van het Sociaal Plan dd. 13 mei 2013 en is dit Sociaal Plan op u van toepassing.’
2.5.
[verweerster] deelt bij brief van 1 juni 2015 onder meer het volgende aan Schaper mede:
‘Hierbij laat ik je weten dat ik uiterlijk op 1 januari 2016 mijn functie zal neerleggen als [functie] van de FNV conform de gemaakte afspraak bij mijn benoeming en vastgelegd in de brief dd. 30 januari 2015.
Hoewel de redenen hiervoor bij jou bekend zijn en wij hier diverse gesprekken over hebben gevoerd heb ik er behoefte aan dit formeel vast te leggen.
1. Steun en support
De afgelopen periode heb ik mij regelmatig moeten ervaren dat ik van jou onvoldoende steun heb ervaren met betrekking tot mijn positie. (….)
2. Professionaliteit
Op een aantal momenten heb ik mij niet serieus genomen gevoelt als professional. (….)
3. Inmenging [functie] domein
Ik hecht er aan, als [functie] , door jou als eerst vertrouwelijke beschouwd te worden op het terrein van [functie] . Het heeft relatief veel moeite gekost om dit duideljjk te maken. (…)
Nogmaals ik betreur het dat het zover heeft moeten komen. Het is destijds niet mijn intentie geweest om mijn benoeming als [functie] te beëindigen.’
2.6.
Bij brief van 4 juni 2015 deelt Schaper [verweerster] onder meer het volgende mede:
‘Afgelopen mandag ontving ik van jou een brief waarin je aangaf te willen stoppen als [functie] uiterlijk per 1 januari 2016. Gezien onze gesprekken gedurende de afgelopen weken, waarbij we hebben afgesproken te gaan werken aan onze samenwerking, kwam deze brief voor mij als een verrassing.
(…) Ik constateer wel dat onze relatie onherstelbaar is beschadigd door de manier waarop je jouw besluit onderbouwt in je brief. (…)
Wat mij betreft zetten wij daarom nu per direct een streep onder onze samenwerking. (…) In de tussentijd ben je vrijgesteld van je werkzaamheden als [functie] . (…)’
2.7.
Bij email van 8 juni 2015 deelt [verweerster] aan Schaper onder meer het volgende mede:
‘(…) Dat je de inhoud van de brief dd. 1 juni 2015 als een verstoorde arbeidsrelatie beschouwd is jouw persoonlijke opvatting. (…) Ik heb in ons gesprek dd. 3 juni jl. aangeven dat er voor mij geen beletsel is om tot 1 januari 2016 mijn functie te uit te oefenen. Op dit niveau vereist de professionaliteit dat jij en ik dit moeten kunnen opbrengen; ik heb aangegeven dit te willen en kunnen. Ik zie het ook niet als een persoonlijk conflict maar een verschil van mening over de noodzakelijke managementstijl in deze fase van de fusie. De reden dat ik niet heb willen wachten tot december 2015 is om jou alle tijd en ruimte te geven voor het zoeken van een opvolger. Daarbij heb ik ook de belangen van de afdeling [X] voor ogen gehouden (…) Wat ik ook zeer betreur is dat jij mij geen gelegenheid geeft mijn werkzaamheden op een professionele wijze af te handelen. Ik verwijs hierbij naar de mail van afgelopen vrijdag waarin jij mij verbiedt het ontslag van een boventallige directeur naar behoren af te wikkelen.(…)’
3 Het verzoek
De FNV verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW te ontbinden. Aan dit verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat er een redelijke grond voor ontslag bestaat die primair gelegen is in een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereen-komst te laten voortduren, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW, en subsidiair in ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub d BW, onder toekenning aan [verweerster] van de transitievergoeding welke € 6.863,- bruto bedraagt.
4 Het verweer
[verweerster] heeft als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Er is ook niet getracht die verstoring weg te nemen voordat voor ontbinding is gekozen. In de rechtsbetrekking is voor dit soort situaties een bepaling opgenomen die voorziet in een daarmee samenhangende beëindiging van de functie en een herplaatsing naar de vorige positie van [verweerster] . Ook is er geen sprake van disfunctioneren en heeft de FNV deze grond in het geheel niet onderbouwd. [verweerster] heeft daarom primair verzocht het verzoek van de FNV af te wijzen en subsidiair, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, aan haar de vergoedingen als vermeld in het verweerschrift toe te kennen.
5 De beoordeling
5.1.
Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
5.2.
De FNV stelt dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in de omstandigheid dat de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig verstoord is geraakt, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, sub g, BW, en subsidiair in – kort gezegd – disfunctioneren van [verweerster] (artikel 7:669 lid 3 sub d BW).
5.3.
De kantonrechter stelt vast dat de FNV niet een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende gronden. Zij voert hetzelfde feitencomplex aan ter onderbouwing van zowel de g- als de d-grond, waarbij voor wat betreft de g-grond de spreekwoordelijke druppel volgens de FNV is gelegen in de brief van [verweerster] van 1 juni 2015. Vooropgesteld wordt dat in het huidige ontslagrecht, anders dan bij het ontslagrecht zoals dat voor 1 juli 2015 gold, verschillende ontslagredenen die elk op zich onvoldoende zijn voor ontslag, niet bij elkaar kunnen worden “opgeteld” om een ontslag te kunnen dragen. Er dient gekozen te worden voor een grond, die op zichzelf voldoende voldragen moet zijn om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te kunnen leiden. Beoordeeld moet dus worden of de door de FNV aangedragen gronden op zichzelf voldoende zijn om over te gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
5.4.
Indien een beroep wordt gedaan op het bestaan van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder g BW, moet worden beoordeeld of er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, die van dien aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet langer te vergen is dat hij het dienstverband continueert (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr 3, p. 46). De werkgever moet zich wel in voldoende mate ingespannen hebben om de arbeidsverhouding te herstellen.
5.5.
Uit de door de FNV ter onderbouwing van haar standpunt ingediende stukken blijkt echter niet dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie waardoor van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsrelatie voort te zetten. Weliswaar heeft [verweerster] in haar brief van 1 juni 2015 kritiek geuit op Schaper, maar haar uiteenzetting in die brief kan naar het oordeel van de kantonrechter niet anders worden opgevat dan als een onderbouwing van haar besluit te stoppen met haar functie van [functie] per 1 januari 2016, welke mogelijkheid is opengelaten bij de benoeming van [verweerster] . Anders dan de FNV stelt kan in de brief van [verweerster] niet worden gelezen – impliciet noch expliciet – dat [verweerster] de relatie met Schaper wilde “opblazen” en dat zij de arbeidsrelatie met de FNV wilde beëindigen. Daarbij komt dat, als er al sprake zou zijn van een duurzame ernstige verstoring van de arbeidsverhouding, niet is gebleken dat de FNV inspanningen heeft verricht om de relatie te herstellen. Het had op de weg van Schaper/de FNV gelegen om ofwel met [verweerster] in gesprek te gaan om te trachten de relatie te verbeteren, ofwel haar besluit tot het neerleggen van haar functie per 1 januari 2016 te respecteren. Zeker op managementniveau moet het mogelijk zijn over en weer kritiek te leveren zonder dat direct wordt ingezet op beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zoals door de FNV is gedaan. Door de reactie van Schaper op de brief van [verweerster] is nu juist de arbeidsrelatie onnodig op scherp gezet. Onnodig omdat partijen een bepaling in de benoemingsbrief van 30 januari 2015 zijn overeengekomen, die gezien de daaraan voorafgaande correspondentie juist met het oog op situaties als de onderhavige is opgenomen. [verweerster] wilde van deze bepaling gebruik maken, niets meer en niets minder.
5.6.
Al met al wordt geoordeeld dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een zodanige situatie dat van de werkgever in redelijkheid niet langer te vergen is dat hij het dienstverband continueert. De ontbinding voor zover deze gebaseerd is op artikel 7:669 lid 3 onder g BW zal dan ook worden afgewezen.
5.7.
De FNV heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat sprake is van disfunctioneren van [verweerster] . Zoals hiervoor al is vastgesteld, heeft zij hiervoor dezelfde feiten en omstandigheden ter onderbouwing aangevoerd als bij de g-grond.
5.8.
Onderdeel d van het derde lid van artikel 7:669 lid 3 BW bepaalt dat onder een redelijke grond wordt verstaan de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.
5.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter is met de door de FNV in dit verband aangevoerde stellingen die, zoals [verweerster] terecht heeft opgemerkt, in het geheel niet zijn onderbouwd, niet komen vast te staan dat [verweerster] niet voldoet aan de eisen die aan een [functie] worden gesteld, nog daargelaten het feit dat partijen bij de benoeming van [verweerster] zijn overeengekomen dat partijen in het geval de wederzijdse verwachtingen niet uitkomen kunnen besluiten de benoeming niet te continueren. Voorts heeft de FNV wel gesteld maar niet onderbouwd dat zij [verweerster] voldoende in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren. Het kan zo zijn dat het functioneren van een werknemer in de positie als die van [verweerster] op een andere manier wordt besproken dan het functioneren van een “gewone” werknemer, maar nu de FNV disfunctioneren mede ten grondslag legt aan haar verzoek had van haar verwacht mogen worden dat zij aan [verweerster] concreet kenbaar had gemaakt op welke punten zij kritiek heeft op haar wijze van uitoefenen van de functie van [functie] , en dat zij hiervan ook een verslag opstelt. De FNV had [verweerster] daarbij een termijn moeten stellen waarbinnen zij verbetering verwacht, en zij had haar duidelijk moeten maken dat bij uitblijven van verbetering beëindiging van de arbeidsrelatie zou volgen. De FNV heeft een en ander nagelaten. Van een redelijke grond voor ontbinding in voornoemde zin is dan ook geen sprake.
5.10.
Gelet op het voorgaande zal het ontbindingsverzoek van de FNV op beide gronden worden afgewezen.
5.11.
De FNV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
6 De beslissing
De kantonrechter:
- wijst het verzochte af;
- veroordeelt de FNV in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 400,- als het aan de gemachtigde van [verweerster] toekomende salaris.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare zitting van 4 september 2015.