Niet aannemelijk geworden dat de auto van eiser feitelijk niet geschikt was om te worden gebruikt voor andere doeleinden dan het vervoer van goederen. Ook heeft eiser niet doen blijken dat de auto in de onderhavige jaren niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2014 in de zaken tussen
[X], wonende te [Z], eiser (gemachtigde: [A]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De in één geschrift vervatte uitspraken van verweerder van 15 oktober 2013 op de bezwaren van eiser tegen de voor de jaren 2008 tot en met 2011 opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014.
Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1.
Op 6 januari 2006 heeft eiser verweerder verzocht een beschikking ‘Verklaring geen privégebruik auto’ af te geven. Verweerder heeft op 16 januari 2006 een dergelijke beschikking gegeven. In die Verklaring is onder meer opgenomen:
“(…)Uw werkgever heeft aan u een auto ter beschikking gesteld. Artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat als de auto in dat geval ook voor privé-doeleinden ter beschikking staat, het voordeel tot het loon behoort. Voor het voordeel van dat privé-gebruik moet uw werkgever tenminste 22% (2006) van de catalogusprijs van de auto bij uw loon tellen. Als blijkt dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt, wordt het voordeel gesteld op nihil. U heeft aangegeven dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt.
U moet tijdens de looptijd van deze verklaring overtuigend kunnen bewijzen dat u niet meer dan 500 kilometer privé op kalenderjaarbasis rijdt. U kunt het bewijs leveren door dagelijks een sluitende rittenregistratie bij te houden. Het is daarom raadzaam om onder andere uw rittenregistratie te bewaren. De Belastingdienst kan u om het bewijs vragen. Meer informatie over de rittenregistratie en andere bewijsmogelijkheden vindt u op www.belastingdienst.nl.
(…)
Als de verklaring met terugwerkende kracht wordt ingetrokken dan legt de Belastingdienst u een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op over de verstreken tijdvakken. U moet er dan rekening mee houden dat u heffingsrente verschuldigd bent en dat de Belastingdienst u een boete kan opleggen. De Belastingdienst kan tot en met vijf jaar na afloop van 2006 nog naheffen over het kalenderjaar 2006. (…)”
2.
Eiser heeft in de periodes 1 januari 2008 tot 21 januari 2009 en vanaf die datum tot en met 31 oktober 2012 de beschikking gehad over een auto. Beide auto’s (de auto) waren van het merk Ford, type Transit Connect. Naar aanleiding van een verzoek om informatie van verweerder retourneerde eiser op 2 december 2012 het vragenformulier over het privégebruik van de auto’s. In deze reactie stelt hij dat hij zijn rittenadministratie bij zijn werkgever heeft ingeleverd en geen kopie daarvan heeft achtergehouden en dat hij, nu zijn werkgever failliet is verklaard, geen kopie meer kan overleggen. Over 2010 en 2011 heeft eiser maandstaten overgelegd die uit de gegevens van de black box en zijn rittenadministratie zijn samengesteld.
3.
De naheffingsaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2011 zijn met dagtekening 29 augustus 2013 aan eiser gezonden. Aan eiser zijn tevens vergrijpboetes opgelegd over de jaren 2008 en 2009 en verzuimboetes over de jaren 2010 en 2011. Bij uitspraak op bezwaar zijn de naheffingsaanslagen in stand gelaten en zijn de boetes vervallen. Voor het jaar 2012 heeft verweerder afgezien van het opleggen van een naheffingsaanslag.
4.
In geschil is of de naheffingsaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2011 terecht aan eiser zijn opgelegd.
5.
Eiser meent dat zijn auto door zijn aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Daarnaast is eiser van mening dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd nu hij minder dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.
6.
Verweerder neemt het standpunt in dat de auto van eiser niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen en dat eiser niet heeft doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé- doeleinden werd gebruikt.
7.1.
Op grond van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet) wordt een voordeel in aanmerking genomen indien een auto ook voor privédoeleinden aan een werknemer ter beschikking is gesteld. Daarbij wordt een auto geacht voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen en met uitzondering van de bestelauto die buiten de werktijd niet gebruikt kan worden of de bestelauto waarvoor een verbod op privégebruik geldt. Eiser kan niet volstaan met het aannemelijk maken van zijn stelling, maar dient daartoe overtuigend bewijs te leveren.
7.2.
Artikel 13bis van de Wet bepaalt dat indien uit een rittenadministratie of anderszins blijkt dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, het autokostenforfait op nihil wordt gesteld. In artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en artikel 3.13 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 zijn regels gegeven waaraan een rittenadministratie moet voldoen.
8.
Ten bewijze van het feit dat de auto (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen heeft eiser aan verweerder bij brief van 27 juni 2013 enkele foto’s van de auto overgelegd en bij brief van 19 augustus 2013 “enkele foto’s die ik heb ontvangen van mijn collega’s”. Verweerder heeft erkend dat de cabine van de auto gevuld was met apparatuur, maar gesteld dat eiser heeft niet doen blijken dat de cabine niet geschikt is voor vervoer van personen. De rechtbank overweegt dat enkele foto’s zowel bij de eerste als de tweede brief zijn gevoegd waardoor niet is komen vast te staan welke foto’s van de auto en welke van auto’s van collega’s zijn. Uit een van de foto’s kan worden afgeleid dat na verwijdering van enkele materialen een tweede persoon in de cabine kan plaatsnemen. Dat de auto daarvoor, zoals door eiser is gesteld, te stoffig en te vuil was, is niet komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet doen blijken dat de auto uitsluitend geschikt was voor het vervoer van goederen.
9.1.
Ten bewijze van het feit dat eiser met de auto minder dan 500 km per jaar heeft gereden heeft hij voor de jaren 2010 en 2011 zogenoemde Maandstaten overgelegd waarop onder meer zijn aangegeven: werkuren, reisuren, ziek, vrij, kilometer zakelijk en kilometer privé. Voor de jaren 2008 en 2009 heeft hij geen bewijsmiddelen in geding gebracht. Eiser stelt dat uit de Maandstaten blijkt dat hij in 2010 454 kilometer en in 2011 490 kilometer privé gereden heeft en dat de staten voor 2012 voor verweerder aanleiding waren om voor het jaar 2012 geen naheffingsaanslag op te leggen. De feiten waren volgens eiser in de jaren daarvoor niet anders, zodat ook voor de jaren 2008 tot en met 2011 het bewijs is geleverd. Een uitdraai van de in de black box opgeslagen informatie zou, in combinatie met de Maandstaten als bewijs van het geringe privé-gebruik kunnen dienen, maar door het faillissement van eisers werkgever (najaar 2013) kon eiser dat bewijs niet meer leveren. Eiser heeft er voorts op gewezen dat hij in privé ook over een auto beschikt en over een camper en dat ook zijn zoon een auto heeft.
9.2
Verweerder acht het bewijs onvoldoende. De Maandstaten voldoen niet aan de eisen die aan een rittenadministratie moeten worden gesteld. Zij bevatten geen kilometerstanden van de auto en ook geen begin- en eindadressen, waardoor controle niet mogelijk is. Voor de jaren 2008 en 2009 is geen bewijs overgelegd. Verweerder heeft in dit verband gewezen op wat in de onder 1 vermelde verklaring is opgenomen. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat eiser reeds voor het faillissement informatie uit de black box heeft opgevraagd.
9.3
De rechtbank overweegt dat voor de jaren 2008 en 2009 in het geheel geen bewijsmateriaal is overgelegd. De Maandstaten voldoen niet aan de eisen die aan een rittenadministratie kunnen worden gesteld (zie 7.2) en de omstandigheid dat de black box-uitdraaien niet in geding zijn gebracht komt voor rekening en risico van eiser. Bovendien is het eerste verzoek van verweerder om het bewijs te leveren dat eiser niet meer dan 500 privékilometers heeft gereden, gedaan geruime tijd voordat de werkgever failliet werd verklaard. De Maandstaten geven overigens aanleiding tot vraagtekens. Zo zijn zakelijke kilometers geboekt op dagen dat eiser ziek zou zijn. De ter zitting daarvoor gegeven verklaring, die inhoudt dat eiser niet geschikt was voor zware werkzaamheden maar wel voor koeriersdiensten, al dan niet in het kader van re-integratie zoals door eiser gesteld in zijn brief van 27 juni 2013 maar ter zitting ontkend, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft doen blijken dat hij in de jaren 2008 tot en met 2011 minder dan 500 kilometers voor privé-gebruik heeft gereden. De aanwezigheid van andere auto’s in het gezin van eiser leidt niet tot een ander oordeel.
10.
Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat uit wat eiser heeft aangevoerd, niet blijkt dat de auto feitelijk niet geschikt was om te worden gebruikt voor andere doeleinden dan het vervoer van goederen. Ook heeft eiser niet doen blijken dat hij in de onderhavige jaren niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De beroepen zijn ongegrond verklaard.
11.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2014.
hter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1.
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2.
het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: