Heeft verdachte geworven voor de gewapende strijd?
Heeft verdachte vrouwen geworven voor de gewapende strijd?
Verdachte wordt verweten dat zij meerdere vrouwen heeft geworven voor de gewapende strijd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder de vaststaande feiten, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte met ‘jihad’ wel degelijk doelde op de gewapende strijd. Verder volgt daaruit dat verdachte heeft getracht [persoon 3] en [persoon 4] te stimuleren om naar Syrië te gaan en aldaar te trouwen met een broeder, wat in het geval van [persoon 4] ook is gebeurd, en dat de broeders waar verdachte op doelde, deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte die vrouwen heeft geworven voor de gewapende strijd.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de toevoeging aan het wetsartikel van ‘gewapende strijd’ is beoogd om – naast het rekruteren voor krijgsdienst – ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen met het oog op hun rechtstreekse inzet (cursivering: rechtbank) ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake zal zijn van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband.35 De werving moet daadwerkelijke deelname aan de strijd beogen; enkel financiële ondersteuning valt daar niet onder36.
Uit het kennisdocument “Van opstand naar jihad” blijkt dat de inzet van vrouwen in de actieve strijd omstreden is. Hoewel onder enkele islamitische groepen de inzet van vrouwen lijkt te worden gedoogd, is de inzet van vrouwen op het slagveld door de belangrijkste jihadistische organisaties in Syrië, Jahbat-al-Nusra en ISIL, tot op heden niet vastgesteld. Er zijn (nog) geen aanwijzingen dat uit Europa of uit andere Westerse landen afkomstige echtgenotes van buitenlandse jihadstrijders actief zijn op het Syrische slagveld.37 Dit is ter terechtzitting bevestigd door deskundige prof. dr. E. Bakker.38
Uit de verklaringen van verdachte en bovengenoemde getuigen, alsmede de notitie die op verdachtes telefoon is aangetroffen, kan worden opgemaakt dat verdachte de mening is toegedaan – en verkondigde – dat vrouwen de mannelijke strijders in Syrië dienen te ondersteunen. Dit kan onder meer plaatsvinden door middel van het verstrekken van financiën of het zorgen voor de man.
Naar het oordeel van de rechtbank vallen niet alleen deelname aan de eigenlijke gevechtshandelingen maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten, zoals bijvoorbeeld het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag, onder het deelnemen aan de gewapende strijd. Het enkele moreel, ideologisch of financieel ondersteunen van de strijd of strijders, het trouwen met een strijder en/of het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder vallen daar echter niet onder. Dergelijke ondersteunende activiteiten kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreekse inzet ten behoeve van en daadwerkelijke deelname aan de gewapende strijd. Dat verdachte zelf meent dat het steunen van de strijders door de vrouwen ook onder jihad valt, doet daar niet aan af.
Het voorgaande betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte [persoon 3] en [persoon 4] heeft geworven voor de gewapende strijd. Verdachte dient dan ook van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
Heeft verdachte mannen geworven voor de gewapende strijd?
Verdachte wordt voorts verweten dat zij de mannen [persoon 2] en[persoon 1] heeft geworven voor de gewapende strijd.
Op grond van de verklaringen van verdachte39, [persoon 1]40 en de moeder van [persoon 2]41, is aannemelijk dat beide mannen zelf het voornemen hadden om naar Syrië te reizen.
Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook personen, die reeds in zekere mate het idee hadden opgevat om deel te gaan nemen aan de gewelddadige jihad, kunnen worden geworven in de zin van artikel 205 Sr. In die situatie kan immers ook sprake zijn van het trachten te overreden, dan wel beïnvloeden, ideologisch rijp maken om aan de gewapende strijd deel te gaan nemen. Vanzelfsprekend dient dit wel te blijken uit feitelijke handelingen.42
In 2011 is door de Hoge Raad bevestigd dat iemand die reeds voorafgaand aan de bewezenverklaarde wervingshandelingen in al dan niet sterke mate de gewapende strijd is toegedaan, kan worden geworven voor de gewapende strijd als bedoeld in artikel 205 Sr.43
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is welke feitelijke handelingen verdachte heeft verricht en of zij met die handelingen de intentie had om [persoon 2] en [persoon 1] te overreden, dan wel te beïnvloeden, ideologisch rijp te maken om aan de gewapende strijd deel te gaan nemen.
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat er geen algemene stelregel valt te geven en dat per concreet geval beoordeeld dient te worden of de feitelijke handelingen gericht zijn geweest op het werven. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor werven meer nodig dan het enkele praten over het geloof, over het al dan niet gerechtvaardigd zijn van een gewapende strijd, dan wel het verheerlijken van een gewapende strijd of van het uitspreken van steun daarvoor. Er dient een zekere stimulering van een persoon tot deelname aan de gewapende strijd te zijn beoogd. In het algemeen zal het daarbij niet gaan om een eenmalige gedraging, doch betreft dit veeleer een proces.
[persoon 2]
Ten aanzien van [persoon 2] kan worden vastgesteld dat verdachte in de periode van 13 juni 2012 tot en met 30 maart 2013 474 keer telefonisch contact met hem had44 en op 8 februari 2013 voor de islamitische wet is getrouwd met hem45. Op 30 maart 2013 is hij van huis vertrokken; niet lang daarna heeft hij zijn ouders laten weten dat hij is afgereisd naar Syrië.46 Hij heeft daar de eerste weken een soort training gehad en zou loopkuilen graven en op wacht staan. Hij is ervan overtuigd dat het martelaarschap het beste is wat je kan overkomen. Een week na zijn vertrek zou verdachte hebben laten weten te willen scheiden van [persoon 2]. Zijn moeder denkt dat verdachte hem gestimuleerd heeft om te gaan, maar dat het zijn eigen beslissing is geweest.47 Verder is gebleken dat verdachte een notitie in haar telefoon had staan, gericht aan [persoon 2]. In dit bericht wordt [persoon 2] aangesproken met Mujaheed (strijder) en schrijft verdachte dat hij zijn doel heeft bereikt waar zij hem volledig in steunde. Ook vraagt zij Allah hem te laten sterven als Shaheed (martelaar).48
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wel met [persoon 2] had gesproken over naar Syrië gaan, omdat hij had aangegeven graag te willen gaan om hulp te verlenen, maar dat zij niet wist dat hij het daadwerkelijk zou doen. Hij is zonder haar medeweten naar Syrië vertrokken. Zij steunde hem wel in zijn voornemen om te gaan.49
Uit het voorgaande blijkt dat verdachte [persoon 2] in ieder geval heeft gesteund in zijn voornemen om naar Syrië te gaan. Het enkele steunen is echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van werven. Dat verdachte met [persoon 2] trouwde en daarvóór veelvuldig contact met hem had, levert op zichzelf geen handelingen op die aan te merken zijn als wervingshandelingen voor de gewapende strijd. Dat verdachte de gewapende strijd steunde staat vast, maar of en op welke wijze verdachte daarmee [persoon 2] zou hebben getracht te werven voor die strijd kan niet uit het dossier worden afgeleid.
Gelet hierop kunnen er geen feitelijke handelingen worden vastgesteld waaruit het trachten te overreden, dan wel beïnvloeden, ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen om aan de gewapende strijd deel te gaan nemen van [persoon 2], blijkt. Verdachte dient derhalve ook van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
[persoon 1]
Ten aanzien van [persoon 1] kan worden vastgesteld dat hij rond maart 2013 contact met verdachte heeft gezocht via instagram en dat hij vrij snel met haar wilde trouwen, omdat het in de islam goed is om vroeg te trouwen.50 Verdachte is op 10 juli 2013 voor de islamitische wet met hem getrouwd.51 Verdachte heeft [persoon 1] op 1 juli 2013 een chatbericht gestuurd, onder meer inhoudende dat een ieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie die een strijder heeft achtergelaten, door Allah gekweld zal worden met een rampspoed. Ook wil zij hem iets prachtigs sturen waardoor twijfel zal weggaan.52 en verdachte zijn op 17 juli 2013 aangehouden53, terwijl zij van plan waren om naar Syrië te reizen.54 werd diezelfde dag vrijgelaten en is kort daarop naar Syrië vertrokken.55 Verdachte heeft zich na haar vrijlating bij hem gevoegd in Syrië. Volgens verdachte en [persoon 1] hadden zij beiden, onafhankelijk van elkaar, het plan om naar Syrië te gaan om daar hulp te verlenen en in een islamitische staat te wonen.56
Uit het voorgaande blijkt dat verdachte [persoon 1] in ieder geval heeft gesteund in zijn voornemen om naar Syrië te gaan. Zoals hiervoor overwogen, is het enkele steunen echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van werven. Dat verdachte met [persoon 1] trouwde en daarvóór veelvuldig contact met hem had, levert op zichzelf geen handelingen op die aan te merken zijn als wervingshandelingen voor de gewapende strijd. De omstandigheid dat verdachte dat een aantal maanden ervoor ook met [persoon 2] had gedaan, maakt dat niet anders. Dat verdachte de gewapende strijd steunde staat vast, maar of en op welke wijze verdachte daarmee [persoon 1] zou hebben getracht te werven voor die strijd kan niet uit het dossier worden afgeleid.
Wel blijkt uit een chatgesprek dat verdachte op 1 juli 2013 met [persoon 1] had, dat zij een mogelijk bij hem gerezen twijfel over het strijden in Syrië, in dat gesprek probeert weg te nemen, hetgeen zou kunnen worden opgevat als een handeling met een zeker wervend karakter. Zoals hierboven is overwogen, betreft werven echter over het algemeen geen eenmalige handeling, doch omvat dit veeleer een proces.
Verder speelt bij de waardering van dit chatgesprek een rol dat [persoon 1] reeds het vaste voornemen had om deel te gaan nemen aan de gewapende jihad. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een enkele dagen eerder door hem gevoerd chatgesprek met een onbekend gebleven persoon, waarin hij zijn keuze voor deelname aan de jihad als volgt verdedigt. Hij schrijft onder meer “mijn dood staat al vast”, “dus als ik sterf tijdens een jihad, dan is dat maar zo”, “ik heb meerdere malen istikhara gebeden om Allah’s advies om de keuze voor jihad, ik heb antwoord gekregen, ik weet genoeg en geen enkele iemand gaat het nu nog veranderen, Allahu Alam en heb advies van Allah gekregen voor mijn keuze”. Verdachte rechtvaardigt zijn beslissing met een verwijzing naar twee artikelen getiteld: “Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht” en “Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht!”.57
De combinatie van omstandigheden dat het hier (i) een eenmalige handeling van verdachte betreft ten aanzien van (ii) een persoon die reeds zijn keuze had gemaakt om deel te gaan nemen aan de gewapende strijd, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat in casu niet kan worden gesproken van strafbare werving in de zin van artikel 205 Sr, ook niet bezien in de door het Openbaar Ministerie geschetste context.
Verdachte zal dus ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.