Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3244

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
13/731006-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Smaad en smaadschrift tegen politie door verdachte wiens zoon in politiecel is overleden na aanhouding. Overwegingen ten aanzien van klachtvereiste, afwijzing bewijsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/731006-14

Datum uitspraak: 31 mei 2016

tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 maart 2012 tot en met 22 januari 2015 te Amsterdam en/of Beverwijk, althans in Nederland en/of Turkije, een of meer ma(a)l(en) (telkens) opzettelijk (door middel van verspreiding van geschrift) de eer en/of de goede naam van [naam 1] en/of een of meer (andere) verbalisant(en), (allen) werkzaam bij de Nationale Politie, Eenheid Noord-Holland en/of de Nationale Politie, heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, (telkens) met voormeld doel middels medewerking en/of deelname aan een of meer televisieuitzending(en) en/of middels geschrift(en) op (een) internetsit(e) en/of social media en/of in een t online) tijdschrift en/of andere publicaties - zakelijk weergegeven - (telkens) (onder meer) (in de Turkse taal) medegedeeld:

- ( middels een publicatie (op de internetpagina) van het Turkstalige magazine Platform, editie januari 2013)

“Deze beambte, die [naam 1] heet, is degene die mijn zoon het hardst slaat. Mijn zoon wordt aan handen en voeten geboeid op de grond gelegd, waarbij er gedurende een half uur vijf of zes politiemensen op hem zitten” en/of

“Als [naam zoon] in het voertuig spuugt naar een van de politiebeambten, wordt mijn zoon in het busje opnieuw geslagen. Zodra het politievoertuig de bocht om is, beginnen ze mijn zoon weer op hardhandige wijze te slaan. Uiteindelijk breken de ribben van mijn zoon, scheuren zijn hardspieren, vindt er een bloeding plaats hij zijn hart, en hoopt er ongeveer anderhalve liter vocht op in zijn hersenen” en/of

“Mijn zoon wordt in bewusteloze toestand uit het voertuig gehaald en naakt naar een cel gesleept en daarin gegooid” en/of

“Terwijl mijn zoon in doodsstrijd verkeert, lopen er politiemensen in en uit en de dienstdoende arts, dokter [naam dokter] , kijkt vanaf een afstand toe hoe [naam zoon] in doodsstrijd verkeert, zonder verder in te grijpen. Als mijn zoon is overleden, slepen ze hem aan zijn been naar de gang. Daar proberen ze hem al lachend voor de vorm te reanimeren” en/of

“Dokter [naam dokter] antwoordde daarop: “Ze hebben me niet de kans te geven om in te grijpen”. Dit antwoord bewijst dat deze moord een georganiseerd delict betreft” en/of

- ( op 27 maart 2012 middels een publicatie op de Facebook pagina van hem, verdachte)

“De Nederlandse staat en politie zijn de oorzaak van de dood van [naam zoon] door marteling. En vanaf het begin tot het einde van de zaak is een politieagent van Turkse afkomst betrokken ( [naam 1] ), die zich voordoet als Turk, maar een vijand van de Turken is. Bovendien liegt hij zonder schaamte, en zegt hij dat hij niet bij de zaak betrokken is” en/of

“Hij heeft het voorval samen met racistische politieagenten veroorzaakt, door zich net als hen te gedragen. Wij weten dat ongeveer 10 politieagenten medeplichtig zijn aan het misdrijf” en/of

- ( op 28 februari 2013 middels een of meer berichten op de Facebook pagina van hem, verdachte)

“Ik vergeef geen enkele Nederlandse fascistische politieagent” en/of

“Maar ik hoop bij Allah dat de hoerenzonen die dit incident hebben veroorzaakt dezelfde pijn zullen lijden en dat in het bijzonder de kinderen van de eerloze bastaard van Turkse komaf, [naam 1] , die een actieve rol in deze heeft gespeeld, hetzelfde zullen meemaken. Het is mijn grootste wens dat hun vader hetzelfde meemaakt”

- ( middels een of meer Twitter berichten middels het profiel @ [profielnaam] van hem, verdachte)

“Geest van Hitler leeft nog in Nederland” en/of

“Dood van [naam zoon] ook uitgevoerd door fascisten/racisten van politie’ en/of

“Uit het oog maar niet uit ons hart. Waarom is [naam zoon] vermoord. De feiten zijn bekend en de daders zijn ook bekend. Nu nog gerechtigheid” en/of

- ( op 11 januari 2015 middels medewerking en/of deelname aan een interview van [naam interviewer] , aflevering 173, uitgezonden op (de Turkse) televisie en/of gepubliceerd en/of beschikbaar middels Youtube)

“De staat heeft dus, kort gezegd, de marteling en de moord welke gepleegd zijn

door haar ambtenaren dus verdoezeld” en/of

dat een Turkse politieman bij de inverzekeringstelling was en (aanvullend op het door de interviewer noemen van de naam van [naam 1] ) dat deze politieman uit [plaatsnaam] komt en/of

dat volgens onderzoek [naam zoon] is geslagen met een ijzeren ding en dat verslaggevers die over zijn zoons dood publiceren een brief hebben ontvangen waarin hen een publicatieverbod wordt opgelegd en/of

dat een T-shirt is verdwenen omdat daarop een voetafdruk gestaan heeft en/of

- ( op 22 januari 2015 op de facebook pagina van hem, verdachte) een bericht heeft geplaatst met daarin een link naar een film (gepubliceerd en/of beschikbaar op Youtube) van voornoemde televisieuitzending van [naam interviewer] .

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving, nu uit de tekst van de oorspronkelijke tenlastelegging blijkt dat het eerste gedachtestreepje “(op 27 maart 2012 middels een publicatie op de Facebook pagina van hem, verdachte)” is verwisseld met het tweede gedachtestreepje “(middels een publicatie (op de internetpagina) van het Turkstalige magazine Platform, editie januari 2013)”. De rechtbank leest de tenlastelegging daarom verbeterd. Door de verbetering van deze verschrijving wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

3 Voorvragen

3.1.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het delict is een klachtdelict. In geval van een klachtdelict is het van belang om vast te stellen of de aangever vervolging wenst voor het feit waarvan aangifte wordt gedaan. In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 25 maart 2013 heeft [naam commissaris] , Commissaris van politie bij de Politie Eenheid Noord-Holland, aangifte gedaan jegens verdachte ter zake smaadschrift, dan wel laster, belediging en bedreiging van een ambtenaar in functie. Aan deze aangifte gingen gesprekken en bemiddelingspogingen met verdachte vooraf. Nu verdachte door was gegaan met publiceren, maakte hij zich volgens aangever schuldig aan een strafbaar feit, hetgeen resulteerde in genoemde aangifte. Als gevolg van deze aangifte is een opsporingsonderzoek ingesteld. In dat kader werd verdachte verhoord. Op 15 april 2014 is verdachte schriftelijk meegedeeld dat de officier van justitie de strafrechtelijke vervolging tegen verdachte voorwaardelijk had geseponeerd met een proeftijd van twee jaar. Op 7 juni 2014 vond vervolgonderzoek plaats naar aanleiding van een geconstateerde overtreding van de seponeringsvoorwaarden. In juni 2015 is door de hoofdofficier van justitie te Haarlem een verzoek gedaan aan de leiding van de Politie Eenheid Amsterdam om in het onderzoek naar de handelingen en uitlatingen van verdachte nader onderzoek te verrichten. Op 18 juni 2015 heeft [naam 1] , brigadier bij de Politie Eenheid Noord-Holland, aangifte gedaan jegens verdachte ter zake smaad en smaadschrift. Diezelfde [naam 1] heeft zich in de onderhavige strafzaak gevoegd als benadeelde partij.

Hoewel het dossier geen formele klacht bevat, is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat voldoende duidelijk is dat aangevers vervolging wensten van verdachte ter zake smaad en smaadschrift over de ten laste gelegde periode. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3.2.

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op tijdstippen gelegen in de periode van 27 maart 2012 tot en met 22 januari 2015 in Nederland en Turkije telkens opzettelijk door middel van verspreiding van geschrift de eer en de goede naam van [naam 1] en andere verbalisanten, allen werkzaam bij de Nationale Politie, heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, telkens met voormeld doel middels medewerking en deelname aan een televisie-uitzending en middels geschriften op een internetsite en social media - zakelijk weergegeven - telkens in de Turkse taal medegedeeld:

- op 27 maart 2012 middels een publicatie op de Facebook pagina van hem, verdachte:

“De Nederlandse staat en politie zijn de oorzaak van de dood van [naam zoon] door marteling. En vanaf het begin tot het einde van de zaak is een politieagent van Turkse afkomst betrokken ( [naam 1] ), die zich voordoet als Turk, maar een vijand van de Turken is. Bovendien liegt hij zonder schaamte, en zegt hij dat hij niet bij de zaak betrokken is” en

“Hij heeft het voorval samen met racistische politieagenten veroorzaakt, door zich net als hen te gedragen. Wij weten dat ongeveer 10 politieagenten medeplichtig zijn aan het misdrijf”;

- op 28 februari 2013 middels berichten op de Facebook pagina van hem, verdachte:

“Ik vergeef geen enkele Nederlandse fascistische politieagent” en

“Maar ik hoop bij Allah dat de hoerenzonen die dit incident hebben veroorzaakt dezelfde pijn zullen lijden en dat in het bijzonder de kinderen van de eerloze bastaard van Turkse komaf, [naam 1] , die een actieve rol in deze heeft gespeeld, hetzelfde zullen meemaken. Het is mijn grootste wens dat hun vader hetzelfde meemaakt” en

- middels Twitter berichten middels het profiel @ [profielnaam] van hem, verdachte

“Geest van Hitler leeft nog in Nederland” en

“Dood van [naam zoon] ook uitgevoerd door fascisten/racisten van politie’ en

“Uit het oog maar niet uit ons hart. Waarom is [naam zoon] vermoord. De feiten zijn bekend en de daders zijn ook bekend. Nu nog gerechtigheid”;

- op 11 januari 2015 middels medewerking en deelname aan een interview van [naam interviewer] , aflevering 173, uitgezonden op de Turkse televisie en gepubliceerd en beschikbaar middels Youtube:

“De staat heeft dus, kort gezegd, de marteling en de moord welke gepleegd zijn

door haar ambtenaren dus verdoezeld” en

dat een Turkse politieman bij de inverzekeringstelling was en aanvullend op het door de interviewer noemen van de naam van [naam 1] dat deze politieman uit [plaatsnaam] komt en

dat volgens onderzoek [naam zoon] is geslagen met een ijzeren ding en dat verslaggevers die over zijn zoons dood publiceren een brief hebben ontvangen waarin hen een publicatieverbod wordt opgelegd en

dat een T-shirt is verdwenen omdat daarop een voetafdruk gestaan heeft;

- op 22 januari 2015 op de Facebook pagina van hem, verdachte een bericht heeft geplaatst met daarin een link naar een film gepubliceerd en beschikbaar op YouTube van voornoemde televisie-uitzending van [naam interviewer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Met betrekking tot de publicatie op de internetpagina van het Turkstalige magazine Platform, editie januari 2003, heeft verdachte stellig ontkend hieraan bijgedragen te hebben. Daarbij valt op dat de titel van het artikel niet aan verdachtes uitlatingen is te koppelen en de naam van de zoon van verdachte bovendien verkeerd is gespeld. Nu het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte betrokken is bij de totstandkoming van deze publicatie, zal de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Verdachte heeft aangevoerd dat hij bepaalde berichten op zijn Facebookaccount niet zelf heeft geschreven. Voor zover het al klopt dat verdachte bepaalde berichten niet zelf heeft geschreven, geldt dat hij die berichten wel op zijn eigen profiel heeft laten staan en niet heeft verwijderd, waardoor hij voor die berichten verantwoordelijk kan worden gehouden. Voorts heeft verdachte de enkele stelling dat de berichten door iemand anders dan hemzelf zijn geschreven niet nader onderbouwd, door bijvoorbeeld duidelijk te maken wie die anderen dan zijn en op welke wijze zij toegang hadden tot zijn account. Daarbij merkt de rechtbank op dat verdachte op geen enkele wijze afstand heeft genomen van de inhoud van deze berichten.

Ten aanzien van de televisie-uitzending geldt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij informatie aan de interviewer heeft verstrekt die ertoe heeft geleid dat de naam van [naam 1] genoemd kon worden in het interview. Ook hier geldt dat verdachte geen afstand neemt van de beschuldigingen. Integendeel, hij bevestigt deze in het interview en hij noemt vervolgens ook nog het geboortedorp van [naam 1] . Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de smadelijke uitlatingen zoals hiervoor bewezen verklaard.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarde, zoals vermeld in de voorwaardelijke sepotbrief van het Openbaar Ministerie van 15 april 2014, met dien verstande dat verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van smadelijke/lasterlijke/beledigende/bedreigende uitlatingen in welke vorm dan ook jegens politieambtenaren van de Politie Eenheid Noord-Holland in het algemeen en in het bijzonder jegens politieambtenaren van de genoemde eenheid die betrokken zijn geweest bij de aanhouding, het vervoer en de verzorging van zijn zoon [naam zoon] . Tevens vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan. Daarnaast heeft de officier gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Op 3 juli 2011 belt een snackbarhouder de politie omdat [naam zoon] , de oudste zoon van verdachte, weigert de snackbar te verlaten en vreemd gedrag vertoont na het gebruik van cocaïne en wellicht andere middelen, zoals alcohol. Nadat de zoon van verdachte door de politie was aangehouden en overgebracht naar het cellencomplex, is hij bezocht door een arts maar niettemin even later overleden. Na autopsie en een onderzoek van de Rijksrecherche heeft het Openbaar Ministerie besloten om de betrokken agenten en de dienstdoende arts niet strafrechtelijk te vervolgen. Verdachte heeft hierop bij het gerechtshof te Amsterdam een klacht als bedoeld in artikel 12 Wetboek van Strafvordering ingediend, omdat hij zich niet met deze beslissing kon verenigen. Na uitvoerig onderzoek heeft het hof dit beklag afgewezen, omdat er aan de zijde van de agenten en de arts niet strafrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.

Verdachte is zeer getraumatiseerd door het overlijden van zijn zoon. Hij wil gerechtigheid. Het valt dan ook te begrijpen dat verdachte de juridische mogelijkheden hiertoe heeft willen onderzoeken en aangrijpen. Vanzelfsprekend mag verdachte boos en teleurgesteld zijn. Verdachte had zich echter moeten realiseren dat hij, bij het in het openbaar beschuldigen van met naam en toenaam genoemde personen van het plegen van zeer ernstige strafbare feiten als moord en marteling en in de bewoordingen waarin hij dat heeft gedaan, een strafbare grens heeft overschreden.

Door op deze wijze meermalen op uiterst beledigende wijze politieagenten en [naam 1] in het bijzonder van genoemde misdrijven te beschuldigen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan smaad, door tijdens een televisie-uitzending deze beschuldigingen te uiten dan wel te bevestigen, alsmede aan smaadschrift, door schriftelijke uitlatingen op social media. Verdachte heeft door zijn handelen politieambtenaren van de Nationale Politie in het algemeen en [naam 1] in het bijzonder willen grieven en ruchtbaarheid willen geven aan de vergaande verwijten die hij hen heeft gemaakt. Gezien onder andere de reacties op social media op zijn berichten is hem dit ook gelukt. Aangevers hebben zich door de grievende teksten ernstig in hun goede naam en eer - waaronder begrepen hun beroepseer - aangetast gevoeld. Uit de slachtofferverklaring van [naam 1] , die door de officier van justitie ter terechtzitting is voorgelezen, blijkt onder meer dat [naam 1] zich ernstig zorgen heeft gemaakt over de veiligheid van zijn gezin, dat de Turkse gemeenschap in zijn werkplaats [plaatsnaam] anders dan wel vijandig tegen hem aankijkt en dat hij zich in zijn geboorteplaats in Turkije niet meer thuis voelt. De feiten hebben zich gedurende een langere periode afgespeeld en hebben met name een grote impact gehad op het leven van [naam 1] .

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zijn zoon verloren en worstelt tot op de dag van vandaag met de pijn en het verdriet hiervan. De rechtbank acht het van zeer groot belang dat het publiekelijk te schande maken en beledigen van de politie door verdachte definitief stopt.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat in beginsel slechts de zwaarste sanctie, zijnde een vrijheidsbenemende straf, passend is. Mogelijk dat dit verdachte zal doen realiseren dat wat hij heeft gedaan de grenzen van hetgeen betamelijk is overschrijdt, en zal dit hem er van weerhouden in herhaling te vallen.

Het gaat de rechtbank echter vooralsnog te ver om verdachte, die nooit eerder strafrechtelijk is veroordeeld, thans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaren.

Om verdachte ervan te weerhouden opnieuw smadelijke uitlatingen te doen zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde bepalen dat verdachte zich dient te onthouden van smadelijke/lasterlijke/beledigende/bedreigende uitlatingen in welke vorm dan ook jegens politieambtenaren van de Nationale Politie in deze zaak zijnde de rol van de politie bij de aanhouding en het overlijden van zijn zoon [naam zoon]

Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 14e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, ziet de rechtbank geen grond om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [naam 1] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op

€ 2.000,- (tweeduizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [naam 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

smaad, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd en smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de volgende voorwaarden niet is nagekomen.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. Veroordeelde dient zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

2. Veroordeelde dient ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Veroordeelde onthoudt zich van smadelijke/lasterlijke/beledigende/bedreigende uitlatingen in welke vorm dan ook jegens politieambtenaren van de Nationale Politie in deze zaak, terzake van de rol van de politie bij de aanhouding en het overlijden van zijn zoon [naam zoon] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] , met als gemachtigde [naam gemachtigde] van BSA Schaderegeling B.V. te Zoetermeer, toe tot een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] , met als gemachtigde [naam gemachtigde] van BSA Schaderegeling B.V. te Zoetermeer, te betalen een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. M.B. de Boer en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Nieuwenhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 mei 2016.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.