vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht, voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: 418673 / KG ZA 09-194 SR/JS
Vonnis in kort geding van 26 februari 2009
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
eiseres bij dagvaarding van 6 februari 2009,
advocaat mr. S.J.M. Peters te Sittard-Geleen,
tegen
de naamloze vennootschap
DIREKTBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Amstelveen,
gedaagde,
advocaat mr. E.L. Polak te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Direktbank genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Ter terechtzitting van 18 februari 2009 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Direktbank heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig [eiseres], bijgestaan door mr. Peters alsmede [ex-echtgenoot], de ex-echtgenoot van [eiseres]. Voor Direktbank zijn verschenen mr. Polak en [persoon 1], medewerker van deurwaarderskantoor [deurwaarderskantoor].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiseres] is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot]).
2.2. Op 10 september 1991 hebben [eiseres] en [ex-echtgenoot] gezamenlijk met Direktbank een overeenkomst gesloten betreffende een doorlopend krediet met een leensom van maximaal fl. 50.000,00.
2.3. Op 4 februari 1993 heeft Direktbank [eiseres] en [ex-echtgenoot] gedagvaard in verband met de achterstand ontstaan door het niet betalen van de maandelijkse termijnen. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij verstekvonnis van 23 maart 1993 (hierna: het verstekvonnis) geoordeeld, voor zover hier van belang, dat de overeenkomst valt onder de Wet op het Consumenten Krediet (WCK) en [eiseres] en [ex-echtgenoot] hoofdelijk veroordeeld fl 51.359,75 (€ 23.306,04) aan Direktbank te voldoen, te vermeerderen met de rente ad 1.099% per maand vanaf 1 oktober 1992 tot aan de dag van voldoening.
2.4. Op 12 april 1995 is [ex-echtgenoot] failliet verklaard. Op 20 september 2000 is het faillissement beëindigd en is ten aanzien van [ex-echtgenoot] de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) van toepassing verklaard. De WSNP is op 15 januari 2003 geëindigd onder toekenning van de zogeheten schone lei aan [ex-echtgenoot].
2.5. Bij beschikking van de rechtbank Roermond van 14 januari 2004 is de echtscheiding tussen [eiseres] en [ex-echtgenoot] uitgesproken.
2.6. Bij brieven van 4 en 18 augustus 2004 heeft [eiseres] aan Direktbank verzocht haar BKR-registratie aan te passen onder andere omdat op 28 februari 2003 de schuldsaneringsregeling is geëindigd met een verklaring van “schone lei” en door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Direktbank heeft hierop bij brieven van 13 en 25 augustus 2008 afwijzend gereageerd.
2.7. Bij brief van 31 augustus 2004 heeft [ex-echtgenoot] eveneens aan Direktbank verzocht de BKR-registratie van [eiseres] op te heffen en daarbij, kort gezegd, het standpunt van [eiseres] nader geëxpliceerd. [ex-echtgenoot] schrijft onder andere:
“ [...] Omdat de huwelijkspartners in gemeenschap van goederen waren gehuwd is er een boedelbijdrage vastgesteld, die gebaseerd was op het inkomen van beide huwelijkspartners. In september 2003 is het faillissement opgeheven en voortgezet als schuldensanering. opnieuw heeft de rechtbank bij de berekening van de boedelbijdrage en het vrij beschikbare inkomen opnieuw expliciet rekening gehouden met de inkomens van de beide huwelijkspartners.
Op basis van het gespaarde geld is op 28.02.2003 de schuldsaneringsregeling geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. [...]”
2.8. Direktbank heeft op laatstgenoemde brief niet gereageerd.
2.9. Direktbank heeft op 27 november 2006 [eiseres] gesommeerd aan het vonnis van 1993 te voldoen, daarbij onder andere aanspraak makend op € 43.028,76 aan verschenen rente.
2.10. Direktbank heeft op 29 december 2008 uit krachte van het verstelvonnis ten laste van [eiseres] executoriaal loonbeslag gelegd onder haar werkgever.
3. Het geschil
3.1. [eiseres] vordert samengevat - primair Direktbank te veroordelen de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te staken en gestaakt te houden, totdat de bodemrechter uitspraak zal hebben gedaan, op straffe van een dwangsom, en subsidiair te bepalen dat de verschuldigde rente per 17 december 2008 € 36.388,54 bedraagt.
3.2. Direktbank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. [eiseres] heeft zich in de eerste plaats beroepen op rechtsverwerking. Zij stelt daartoe dat gedurende het faillissement en de schuldsanering van [ex-echtgenoot] ook haar vermogen is uitgewonnen - met name is de echtelijke woning executoriaal verkocht - respectievelijk dat ook door haar in het kader van de WSNP is gespaard ter voldoening van de crediteuren. Zij wijst erop dat aan [ex-echtgenoot] een schone lei is verleend, dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden en dat Direktbank ten aanzien van haar geen voorbehoud heeft gemaakt. In dat verband wijst [eiseres] tevens op correspondentie die zij en [ex-echtgenoot] in 2004 met Direktbank hebben gevoerd en waaruit zou blijken dat reeds in 2004 aan Direktbank duidelijk moet zijn geweest dat [eiseres] meende dat zij ter zake deze schuld niet meer kon worden aangesproken en dat Direktbank zelfs hierna niet onverwijld tot invordering van de schuld is overgegaan.
4.2. Direktbank heeft daartegenover gesteld dat zij gedurende het faillissement en de WSNP geen mogelijkheid had tot invordering over te gaan, dat zij bij het verbindend worden van de slotuitdelingslijst niet gehouden was een voorbehoud ten aanzien van [eiseres] te maken en dat zij gerechtigd is het vonnis ten uitvoer te leggen, nu de bevoegdheid daartoe niet is verjaard.
4.3. Uitgangspunt is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking, immers daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. In deze procedure zou de vordering van [eiseres] kunnen worden toegewezen wanneer bepaald niet uitgesloten is dat de bodemrechter tot deze beslissing zou kunnen komen.
4.4. Als vaststaand wordt aangenomen dat Direktbank in ieder geval van 1995 tot aan november 2006 geen pogingen meer heeft ondernomen tot incasso van de vordering te geraken. Aan Direktbank kan worden toegegeven dat haar pogingen waarschijnlijk zonder veel resultaat zouden zijn gebleven, nu op het vermogen van [ex-echtgenoot] en [eiseres] het faillissementsbeslag rustte, maar zulks verhinderde Direktbank niet om [eiseres] aan te manen zodat voor haar duidelijk zou zijn dat na afloop van het faillissement onderscheidenlijk de WSNP, Direktbank haar rechten op nakoming zou uitoefenen.
4.5. Uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie, hiervoor onder 2.6 en 2.7 vermeld, blijkt verder dat [eiseres] en [ex-echtgenoot] steeds in de veronderstelling verkeerden dat ook [eiseres] na afwikkeling van de schuldsanering voor deze schuld niet meer kon worden aangesproken. Deze mening moet weliswaar in beginsel onjuist worden geacht, maar is niet onbegrijpelijk. [eiseres] heeft immers gedurende de tijd dat het faillissement van [ex-echtgenoot] duurde en daaropvolgend de WSNP van toepassing was, in dezelfde situatie verkeerd als het geval zou zijn geweest indien zij ook zelf zou zijn gefailleerd. Aangenomen moet worden dat [eiseres], indien zij bekend was geweest met de werking van de WSNP, bewerkstelligd zou hebben dat de schuldsanering ook ten aanzien van haar zou zijn uitgesproken. Uit de correspondentie blijkt ook dat Direktbank in ieder geval in augustus 2004 ermee bekend was dat [eiseres] meende niet meer tot betaling van deze schuld te zijn gehouden. Direktbank heeft niettemin nagelaten [eiseres] voor deze – zoals hiervoor overwogen begrijpelijke - misvatting te behoeden, maar wederom ruim twee jaar gewacht de invordering ter hand te nemen.
4.6. Van Direktbank mocht worden verwacht dat zij, als zorgvuldig handelend kredietgeefster en als professionele schuldeiseres, voortvarendheid zou betrachten waar het de invordering van haar schulden betreft. In het bijzonder was Direktbank gehouden om [eiseres] onverwijld en ondubbelzinnig voor te houden dat de schone lei haar niet gold, zodra Direktbank gewaar werd dat [eiseres] meende dat dat wel het geval was. Dat Direktbank aan [eiseres] heeft geschreven dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering is onvoldoende om te oordelen dat zij aan haar bancaire zorgplicht heeft voldaan, nu deze mededeling is gedaan in het kader van een verzoek tot doorhaling van de BKR-registratie en Direktbank aan deze mededeling geen verder gevolg heeft gegeven, bijvoorbeeld door [eiseres] tot betaling aan te spreken.
4.7. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat, zoals [eiseres] onweersproken heeft gesteld, dit nalaten haar schade heeft berokkend, nu zij geconfronteerd wordt met een sterk opgelopen post aan rente en niet heeft kunnen anticiperen op de verschuldigdheid daarvan.
4.8. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat bepaald niet uitgesloten is dat de bodemrechter onder de gegeven omstandigheden zal oordelen dat Direktbank heeft stilgezeten waar die omstandigheden haar noopten tot activiteit en dat hierdoor bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat Direktbank haar aanspraak niet meer geldend zou maken. Derhalve moet voorshands geoordeeld worden dat voldaan is aan het hiervoor onder 4.3 weergegeven criterium. Afweging van de wederzijdse belangen leidt tot de conclusie dat het primair gevorderde zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, tot een maximum van € 50.000,00.
4.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft [eiseres] geen belang meer bij haar subsidiaire vordering.
4.10. Direktbank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 85,98
- vast recht 262,00
- salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.163,98
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. Veroordeelt Direktbank het op 29 december 2008 ten laste van [eiseres] gelegde loonbeslag op te heffen en de executie van het vonnis van 1993 te staken en gestaakt te houden, totdat de bodemrechter bij vonnis, in kracht van gewijsde gegaan althans uitvoerbaar bij voorraad verklaard, hieromtrent heeft beslist, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat Direktbank na betekening van dit vonnis hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,00;
5.2. Veroordeelt Direktbank in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.163,98.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.J.M. Saelman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.?