Papillon-fiscale eenheid; afwijzing verzoek om voeging van Nederlandse kleindochters zonder voeging van de EU-tussenhoudster; EU-vestigingsvrijheid; beroep op de coherentie van het belastingstelsel; acte éclairé; evenredigheidstest; beleidsbesluit; omgekeerde discriminatie; aanvullende voorwaarden voor een Papillon-eenheid
Derde conclusie na HvJ EU-arrest in drie andere zaken: deze zaak, die gaat over een door de Inspecteur afgewezen verzoek om een Papillon-fiscale eenheid, wachtte op het arrest van het HvJ EU in de gevoegde zaken C-39/13, SCA Group Holding, C-40/13, X AG e.a. en C-41/13, MSA International Holdings en de reactie van de partijen daarop. Op 16 januari 2014 had A-G Wattel al geconcludeerd; hij achtte belanghebbendes middel (i) gegrond en stelde nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EU voor over de EU-vestigingsvrijheid, in aanvulling op de vragen die het Hof Amsterdam al had gesteld in de genoemde zaken. Op 21 februari 2014 concludeerde A-G Wattel nader ter zake van de kwestie van omgekeerde discriminatie, bij nader inzien overwegende dat het verwijzings-strategisch beter zou zijn om de zaak juist aan te houden tot na de beantwoording door het HvJ EU van de vragen van het Hof Amsterdam. De Hoge Raad heeft de zaak aangehouden totdat door het HvJ EU zou zijn geantwoord op de vragen van het Hof Amsterdam in de zaak C-39/13.
Het HvJ EU heeft op 12 juni 2014 arrest gewezen in de genoemde gevoegde zaken. Hij achtte de binnenlandse en de grensoverschrijdende situatie objectief vergelijkbaar omdat in beide gevallen de doelstelling van consolidatie van resultaten kan worden bereikt. Niet van belang achtte hij dat in de binnenlandse situatie de voeging van een tussenhoudster niet achterwege kan blijven. Nederland kon zich niet beroepen op de noodzaak de coherentie van het belastingstelsel te behouden omdat er geen rechtstreeks verband is tussen de toekenning van een fiscale-eenheidvoordeel en de compensatie daarvan door een bepaalde belastingheffing, nu de deelnemingsvrijstelling al voor fiscale coherentie zou zorgen. Het is het HvJ EU echter ontgaan dat (i) binnen een fiscale eenheid geen deelnemingen bestaan, (ii) de deelnemings-vrijstelling ter zake van een buitenlandse dochter wel degelijk liquidatieverliesaftrek toestaat en (iii) er wel degelijk gevaar van dubbele binnenlandse verliesneming en andere incoherenties bestaat als een Papillon-eenheid moet worden toegestaan, met name door (a) het bestaan van de liquidatieverliesregeling, (b) de niet-toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling op leningen binnen een groep en (c) de niet-toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling op buitenlandse dochters die als laagbelaste beleggingsdeelneming gelden.
De partijen zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het HvJ EU-arrest. De Staatssecretaris meent dat het HvJ EU door verkeerde uitleg van het Nederlandse recht ten onrechte de coherentie van het belastingstelsel niet als rechtvaardiging heeft aanvaard, en daardoor ten onrechte niet is toegekomen aan beoordeling van de proportionaliteit van uitsluiting van Papillon-fiscale eenheden om dubbele verliesneming te voorkomen.
De belanghebbende onderschrijft het arrest van het HvJ EU.
Het Hof Amsterdam heeft op 11 december 2014 einduitspraak gedaan in de drie door hem verwezen zaken. Hij heeft ’s Hofs arrest met wijsheid gelezen en de door de fiscus ingeroepen coherentie-rechtvaardiging wél aanvaard, maar weigering van voeging in de drie door hem berechte gevallen disproportioneel geacht, gezien het doel van fiscale coherentie, en daarmee onverenigbaar met de EU-vestigingsvrijheid.
Op 30 december 2014 heeft de Staatssecretaris een beleidsbesluit gepubliceerd dat terugwerkt tot en met 16 december 2014, waarin vooruitlopend op wetswijziging onder voorwaarden een Papillon-eenheid wordt toegestaan. Voor interne gevallen verandert niets: zonder meevoeging van tussenliggende binnenlandse vennootschappen kunnen een binnenlandse moeder en kleindochter niet met elkaar worden gevoegd.
Met het Hof Amsterdam meent A-G Wattel dat uit de zaak Papillon voldoende duidelijk volgt hoe het HvJ EU zou hebben geantwoord als hij het Nederlandse recht wél had begrepen, namelijk dat het fiscale-eenheidsregime coherent is waar het binnenlandse dubbele verliesneming voorkomt. Nieuwe prejudiciële vragen zijn zijns inziens zinloos nu eveneens duidelijk is dat uitsluiting van Papillon-eenheden weliswaar geschikt is om dubbele binnenlandse verliesneming en andere incoherenties te voorkomen, maar ook dat algehele uitsluiting van Papillon-eenheden disproportioneel is. De A-G acht daarom belanghebbendes beroep op de EU-vestigingsvrijheid gegrond.
De (ook uit het Besluit) resulterende ongunstiger behandeling van de interne situatie staat volgens de A-G niettemin op gespannen voet met art. 20 en 21 EU-Handvest en art. 1 Twaalfde protocol EVRM. Die spanning kan weggeredeneerd worden door de vergelijkingsmaatstaf niet te leggen bij de ononderbroken aandeelhouderschapsketen, maar bij de vraag binnen welke heffingsjurisdictie te consolideren groepsonderdelen c.q. -resultaten vallen. Vanuit dat jurisdictieperspectief bezien, kan een binnenlands concern met een niet-gevoegde buitenlandse tussenhoudster vergelijkbaar geacht worden met een binnenlands concern met een gevoegde binnenlandse tussenhoudster omdat in beide gevallen alleen de binnen de Nederlandse jurisdictie vallende concernresultaten en concernonderdelen geconsolideerd c.q. gevoegd worden.
Het is aan de wet- of besluitgever om bij het toestaan van Papillon-eenheden daarbij passende aanvullende voorwaarden te stellen die geschikt en evenredig zijn om fiscale incoherenties, met name dubbele binnenlandse verliesneming uit te sluiten. Deze voorwaarden kunnen volgens de A-G ook worden gesteld aan lopende gevallen, dus ook aan de belanghebbende.
Conclusie: cassatieberoep gegrond, met de aantekening dat de Inspecteur bij de inwilliging van belanghebbendes voegingsverzoek voorwaarden kan stellen om fiscale incoherenties uit te sluiten, met name binnenlandse dubbele verliesaftrek.