Sinds 1 januari 2009 woont en werkt belanghebbende in Nederland. Tevens verricht hij in dat jaar werkzaamheden in België. De Inspecteur heeft, op verzoek van belanghebbende en zijn werkgever, op 5 januari 2009 een beschikking toepassing 30%-regeling afgegeven ter zake van belanghebbendes werkzaamheden in Nederland.
Op grond van artikel 27, paragraaf 1, van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België heeft belanghebbende recht op toepassing van de algemene compensatieregeling voor grensarbeiders. Het bedrag waarop belanghebbende ingevolge deze regeling recht op heeft wordt berekend door het aan België toerekenbare inkomen te herrekenen naar een bedrag dat zou zijn geheven indien belanghebbende de inkomsten uit Nederland zouden hebben verkregen, en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven als is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen. In geschil is of bij de berekening van de door Nederland te verlenen algemene compensatie, het Belgische loon herrekend dient te worden met inachtneming van de 30%-regeling.
Belanghebbende betoogt dat, gelet op doel en strekking van deze faciliteit, de 30%-regeling in aanmerking moet worden genomen bij de herrekening van het Belgische inkomen, nu belanghebbende met betrekking tot zijn in Nederland verdiende inkomen in 2009 van deze regeling gebruik heeft kunnen maken.
Volgens rechtbank Zeeland-West-Brabant, die belanghebbendes beroep ongegrond heeft verklaard, gaat de in de algemene compensatieregeling opgenomen fictie, dat het Belgische loon geheel uit Nederland afkomstig is, niet zover dat ook fictief moet worden uitgegaan van de toepassing van de 30%-regeling op een gedeelte van het loon ten aanzien waarvan feitelijk geen vergoeding voor extraterritoriale kosten is overeengekomen (het Belgische loon).
A-G Niessen stelt voorop dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor de berekening van het bedrag aan algemene compensatie, inkomsten uit België herrekend dienen te worden overeenkomstig de Nederlandse belastingwetgeving, hetgeen kan leiden tot verschillen tussen het Belgische belastbare inkomen en het fictief in Nederland belastbare inkomen.
Volgens de A-G zijn noch in de verdragstekst en diens context, noch in de tekst van de 30%-regeling en bijbehorende parlementaire stukken aanwijzingen te vinden zijn over de te volgen procedure bij het bestaan van een (eventuele) samenloop tussen de 30%-regeling en de algemene compensatieregeling.
Ter zake van belanghebbendes standpunt, overweegt de A-G dat aan belanghebbende kan worden toegegeven dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de algemene compensatieregeling tot doel heeft de keuze voor het “werkland” los te koppelen van de fiscaliteit, oftewel, deze keuze niet te laten beïnvloeden door de mogelijkheden tot het vergelden van de aftrekposten uit de Wet IB 2001.
Naar de mening van de A-G pleit echter tegen het standpunt van belanghebbende dat uit de parlementaire behandeling bij de goedkeuringswet van het nieuwe Verdrag tussen Nederland en Duitsland, welk verdrag ook een algemene compensatieregeling kent, blijkt dat de regering van oordeel is dat de fictie die in de compensatieregeling ligt besloten niet doorwerkt in de 30%-regeling.
Bovendien komt het de A-G voor dat het zwaartepunt niet dient te liggen op het doel van de algemene compensatieregeling, maar op het doel van de 30%-regeling, aangezien het geschil niet ziet op de fictie die toegepast dient te worden op grond van de algemene compensatieregeling (de fictie dat belanghebbende volledig in Nederland zou hebben gewerkt), maar op de doorwerking van deze fictie naar de 30%-regeling. In het licht van de doelstelling van de 30%-regeling (het aantrekkelijk maken van het Nederlandse vestigingsklimaat om het aantrekken van buitenlandse werknemers met op de Nederlandse arbeidsmarkt schaarse deskundigheid gemakkelijker te maken voor binnenlandse werkgevers), ligt het niet in de rede om samenloop tussen de 30%-regeling en de algemene compensatieregeling toe te staan.
De A-G gaat vervolgens in op het belang van het standpunt van belanghebbende. Hierbij merkt hij op dat het toekennen van een 30%-vergoeding bovenop het Belgische inkomen geen vermindering zal opleveren van het fictief in Nederland te betalen bedrag aan belasting. De A-G betoogt vervolgens dat, hoewel het – naar belanghebbendes verlangen – weliswaar gebruikelijk is om bij het overeenkomen van een 30%-vergoeding het brutoloon arbeidsrechtelijk te verlagen onder gelijktijdige toekenning van een vrije vergoeding ter zake van extraterritoriale kosten, een dergelijke verlaging niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en bovendien een administratieve splitsing van het loon in een deel loon en een deel vrije vergoeding voor extraterritoriale kosten niet mogelijk is. Ook de algemene compensatieregeling kan, zo al toegestaan zou zijn de 30%-regeling in de herrekening te betreken, een dergelijke (fictieve) arbeidsrechtelijke verlaging niet bewerkstellingen, aangezien een herrekening van het Belgische salaris met toepassing van de Nederlandse sociale-, pensioen- en arbeidsregelgeving voor de algemene compensatieregeling niet plaatsvindt.
Bovenstaande in ogenschouw nemende is de A-G van mening dat ter zake van de vraag of bij de ingevolge de algemene compensatieregeling genoemde herrekening van het aan België toe te rekenen loon moet plaatsvinden met inachtneming van de 30%-regeling, de hiervoor genoemde tegenargumenten doorslaggevend zijn, en dat om deze reden de klacht van belanghebbende faalt.
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.