Bij beschikking van 27 september 2010 heeft de Inspecteur een door belanghebbende en zijn toenmalige werkgever ingediend verzoek om toepassing van de 30%-regeling ingewilligd, voor de periode 1 juli 2010 tot en met 31 mei 2019. Per 1 december 2012 is belanghebbende bij deze werkgever uit dienst getreden. Op 22 februari 2013 heeft de levering plaatsgevonden aan belanghebbende van een door hem gekocht appartement. Op 23 april 2013 is belanghebbende een arbeidsovereenkomst aangegaan met een andere werkgever. Bij brief van 8 augustus 2013 heeft belanghebbende samen met deze nieuwe inhoudingsplichtige aan de Inspecteur verzocht om toepassing (voortzetting) van de 30%-regeling.
In geschil is of de Inspecteur terecht het verzoek om voortzetting van de 30%-regeling heeft afgewezen met een beroep op de driemaandstermijn van artikel 10ed UB LB 1965. Artikel 10ed UB LB 1965 bepaalt dat indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt, de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing blijft, mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden.
Evenals rechtbank Gelderland, oordeelde gerechtshof Den Haag dat voortzetting van de 30%-regeling stuit op de driemaandseis. Volgens het Hof laat de toepasselijke regeling geen ruimte om op andere wijze aannemelijk te maken dat belanghebbende over schaarse specifieke deskundigheid beschikt, en laat deze regeling evenmin ruimte voor een zelfgekozen periode om niet beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt om naar woonruimte te zoeken.
Belanghebbende heeft twee cassatiemiddelen voorgesteld, die inhouden:
(i) dat de driemaandseis van artikel 10ed, lid 1, UB LB 1965 niet van toepassing is indien schaarse en specifieke deskundigheid anderszins blijkt, en
(ii) dat de periode waarin een belastingplichtige niet daadwerkelijk naar werk heeft gezocht, niet hoeft te worden meegenomen in de beoordeling van de vraag of de driemaandstermijn is overschreden.
A-G Niessen gaat, mede gezien het door de Hoge Raad gewezen arrest van 19 juni 2015, ambtshalve in op de vraag of het verzoek van belanghebbende ter continuering van de 30%-regeling – overeenkomstig het oordeel van het Hof – moet worden beoordeeld naar de voor 2010 geldende, dan wel de voor 2013 geldende bepalingen die betrekking hebben op de 30%-regeling. De A-G meent dat, nu geen sprake is van overgangsrecht dan wel contra-indicaties, de hoofdregel van directe werking van nieuwe (fiscale) wetgeving van toepassing is, zodat het verzoek dient te worden beoordeeld naar de wettekst zoals die gold in 2013. Het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 doet aan dit oordeel niet af, daar, anders dan de ratio van de 30%-bewijsregel als zodanig, de ratio van de driemaandseis er niet vraagt om een toets aan te leggen op basis van de feiten – en dus ook niet de wettelijke voorschriften – ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Zij noopt er juist toe te toetsen op het moment waarop zich een wisseling van inhoudingsplichtige voordoet.
Voorts gaat de A-G ambtshalve in op de vraag of, gezien de aan de driemaandstermijn ten grondslag liggende gedachte dat van schaarsheid kennelijk geen sprake meer is wanneer een belanghebbende meer dan drie maanden nodig heeft om een nieuwe dienstbetrekking te vinden, het niet-verlengen van de 30%-beschikking stuit op toepassing van artikel 10ee UB LB 1965. Deze vraag beantwoordt de A-G ontkennend, daar beide artikelen niet naar elkaar verwijzen, en slechts uit de toelichting kan worden afgeleid dat in de ratio van beide bepalingen een verband bestaat.
De A-G overweegt vervolgens dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden, daar uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de 30%-regeling geen ruimte biedt om op andere wijze aannemelijk te maken dat een belanghebbende over schaarse en specifieke deskundigheid beschikt.
Ook het tweede middel kan volgens de A-G niet slagen. Hierbij overweegt de A-G dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een forfaitaire regeling ten behoeve van de praktische uitvoerbaarheid van de 30%-regeling, en een niet-inhoudelijke beoordeling van de driemaandstermijn in de rede ligt. De A-G acht het aannemelijk dat de besluitgever een lezing van de driemaandsregel op het oog heeft gehad waarin het tijdsverloop tussen beide betrekkingen wordt verondersteld te zijn gebruikt om de nieuwe betrekking te zoeken.
In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer de belanghebbende door overmacht een tijd lang daadwerkelijk niet in staat is een nieuwe betrekking te zoeken, zou – desgewenst met een beroep op redelijke wetstoepassing – volgens de A-G mogelijk een uitzondering gemaakt kunnen worden, maar dat is in de onderhavige zaak gesteld noch gebleken.
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.