Artikel 1, lid 3 BRK bepaalt dat de belasting in een van de landen van niet-inwoners, ter zake van een binnen dat land aangehouden vaste inrichting, in beginsel niet drukkender is dan de belasting van inwoners die dezelfde werkzaamheden onder overigens gelijke omstandigheden uitoefenen.
In de parlementaire toelichting is over deze bepaling opgemerkt:
“De belastingheffing van de buitenlandse ondernemer mag niet “drukkender” zijn dan die van de binnenlandse ondernemers; zij behoeft er evenwel niet volledig gelijk aan te zijn; het gaat om het resultaat. Veelal zullen niet-inwoners op een enigszins andere wijze worden belast dan inwoners. In bepaalde gevallen zou er onzekerheid kunnen zijn of deze verschillen (dan wel verschillen van andere aard) resulteren in een drukkender belasting voor de niet-inwonende ondernemer. Teneinde geschillen hierover uit te sluiten zijn de woorden “in beginsel” opgenomen. Deze woorden mogen geenszins zo worden opgevat , dat zij inbreuk maken op het voornemen van de landen van het Koninkrijk om zich van het tweede (Gerecht: thans derde) lid bedoelde discriminatie te onthouden.”
Memorie van Toelichting, 1962/63, 7181 (R344), nr. 3, p. 11-12.
En:
“Op het door het tweede lid (Gerecht: nu derde lid) van artikel 1 bestreken terrein zou zich voorts een onbedoelde discriminatie kunnen voordoen, indien een andere wijze van belastingheffing van niet-inwonende ondernemers per saldo een zwaardere belastingheffing voor hen betekent. De woorden “in beginsel” in het tweede lid (Gerecht: thans derde lid) sluiten dan, naar het ondergetekende voorkomt, een beroep op de rechter uit.”
Memorie van Antwoord, 1963/64, 7181 (R344), nr. 7, p. 3.