In dit kort geding vordert [verweerder] op de voet van art. 4:123 lid 2 Awb in verbinding met art. 438 Rv een verbod de executie van het dwangbevel door te zetten. Hij legt daaraan ten grondslag dat de vordering tot betaling van de dwangsommen is verjaard.
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof echter heeft de verdere executie verboden. Het heeft daartoe, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. Op de verjaring van art. 5:35 Awb zijn de bepalingen van afdeling 4.4.3 Awb van toepassing. Blijkens de memorie van toelichting bij die afdeling is beoogd daarmee een volledige regeling van de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden te geven, zodat stuiting slechts mogelijk is op een van de in art. 4:105 en 4:106 Awb genoemde wijzen. (rov. 4.6.1) Uit art. 5:37 lid 1 Awb vloeit voort dat een invorderingsbeschikking dient te worden gegeven alvorens een bestuursorgaan een aanmaning tot betaling van dwangsommen kan doen uitgaan (rov. 4.6.2). Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat een invorderingsbeschikking geen stuiting van de verjaring bewerkstelligt, nu de wetgever in het belang van de rechtszekerheid de stuitingshandelingen in art. 4:105 en 4:106 Awb limitatief heeft willen regelen. Voorts schrijft het wettelijk systeem een bepaalde opeenvolging van de te verrichten handelingen voor, die meebrengt dat de invorderingsbeschikking een voorwaarde vormt voor het rechtsgeldig kunnen stuiten door middel van een aanmaning. (rov. 4.7)
Van stuiting als gevolg van erkenning door [verweerder] als bedoeld in art. 4:105 lid 2 Awb is geen sprake, nu deze zich blijkens de gedingstukken met een beroep op (onder meer) het vertrouwensbeginsel tegen invordering door de Gemeente heeft verzet, stellende dat hij van de burgemeester had begrepen dat de dwangsommen niet daadwerkelijk ingevorderd zouden worden indien (door [verweerder]) tot sloop zou worden overgegaan. [verweerder] heeft blijkens de beslissing op zijn bezwaar tegen de invorderingsbeschikking verzocht om heroverweging en, mocht daarvan geen sprake zijn, om matiging van het verbeurde bedrag. Gelet op het subsidiaire karakter van dit matigingsverzoek en de inhoudelijke bezwaren van [verweerder] tegen de beschikking, kan daaruit geen (gedeeltelijke) erkenning door [verweerder] worden afgeleid. (rov. 4.9)
De invorderingsbeschikking kan niet als aanmaning in de zin van art. 4:112 lid 1 Awb worden aangemerkt, gezien hetgeen eerder is overwogen omtrent de door de wetgever beoogde opeenvolging van handelingen en de rechtszekerheid (rov. 4.10).
Nu is gesteld noch gebleken dat tussen de invorderingsbeschikking en de – als aanmaning te beschouwen – brief van de Gemeente van 12 oktober 2012 stuitingshandelingen zijn verricht, is de verjaring van alle dwangsommen voltooid (rov. 4.11).