Het hof heeft de bestreden vonnissen bekrachtigd, met dien verstande dat in het eindvonnis in plaats van € 2.184,33 een bedrag van € 2.428,28 moest worden gelezen, en dat vonnis in zoverre vernietigd. Het hof heeft, samengevat, als volgt overwogen.
Het hof gaat ervan uit dat [eiser] kosten vordert op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW. Het standpunt van [eiser] dat die kosten in dit geval moeten worden bepaald op de door hem met [A] overeengekomen vergoeding van 15%, omdat het redelijk is dat hij destijds met [A] een no-cure-no-pay-afspraak heeft gemaakt, verwerpt het hof. Ook als de keuze van [eiser] om een dergelijke afspraak te maken redelijk was, gezien de financiële en gezinsomstandigheden waarin hij verkeerde, brengt dat niet mee dat de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte, in beginsel moeten worden gesteld op het in die afspraak opgenomen honorarium. Immers voor de hoogte van dat honorarium en de verschuldigdheid daarvan door [eiser] zijn de in de onderhavige zaak te verwachten buitengerechtelijke werkzaamheden niet maatgevend (geweest). [A] kan geen kosten of honorarium aan [eiser] in rekening brengen indien zijn buitengerechtelijke werkzaamheden geen resultaat opleveren. Het honorarium is op 15% bepaald voor het geval die werkzaamheden wél resultaat opleveren, ongeacht de omvang van die werkzaamheden. Daarom moet worden aangenomen dat in de hoogte van het honorarium de kans is verdisconteerd dat [A] in voorkomende gevallen geen honorarium kan innen, alsmede de kans dat een honorarium wordt geïnd dat in verhouding tot de door hem verrichte werkzaamheden te hoog of te laag is. Indien een dergelijk honorarium in de onderhavige zaak als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking zou komen, zou het Ziekenhuis, gezien het aantal uren gemoeid met de door [A] verrichte werkzaamheden en het uurtarief, een hogere vergoeding moeten betalen dan in redelijke verhouding staat tot de werkelijke kosten van de buitengerechtelijke werkzaamheden van [A]. Daarvoor biedt art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW geen grondslag. Bij de beoordeling van de vraag welke kosten wegens buitengerechtelijke werkzaamheden redelijk zijn, moet daarom niet de no-cure-no-pay-afspraak tot uitgangspunt worden genomen, maar het aantal door [A] voor [eiser] gewerkte uren, de verrichte werkzaamheden en het gehanteerde uurtarief. (rov. 6)
De rechtbank heeft de kosten van de werkzaamheden van [A] begroot naar een uurtarief van € 205,-- tot 8 januari 2009 en een uurtarief van € 215,-- in de periode daarna. [eiser] stelt dat hij met [A] geen uurtarief is overeengekomen en dat, als hij wél een uurtarief zou zijn overeengekomen, hij een hoger uurtarief met een opslag zou hebben afgesproken, te weten € 255,-- exclusief btw, te verhogen met een opslag van 50% wegens het behaalde resultaat en met 6% kantoorkosten. (rov. 9) Het is niet van belang dat [eiser] met [A] geen uurtarief is overeengekomen. Wel is van belang dat [A] in de bijlagen bij zijn declaratie van 10 april 2009 een uurtarief van € 205,--, respectievelijk € 215,-- hanteert. Daaruit valt af te leiden dat hij dit uurtarief hanteert als hij op basis van een uurtarief werkt. Dit uurtarief moet daarom worden aangehouden bij de berekening van de redelijke kosten van de door [A] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De andersluidende opvatting van [eiser] wordt verworpen, ook al omdat het door hem voorgestelde uurtarief niet is onderbouwd. (rov. 10)