19 oktober 1990
Eerste Kamer
Nr. 13.996
AS.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.W. Lely,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. K.G.W. van Oven.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploot van 21 juli 1986 verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] zal veroordelen om ter zake als in de inleidende dagvaarding vermeld tegen kwijting aan [eiser] zal betalen de somma van f 40.094,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der voldoening. Nadat [verweerder] tegen deze vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 13 oktober 1987 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 17 november 1988 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan: Op 12 februari 1985 speelden [verweerder] en [eiser] met twee anderen een herendubbelpartij tennis op een binnenbaan van het tennispark [A] te [plaats]. Na afloop van een game heeft [verweerder] een aantal ballen naar de andere helft van de baan geslagen, waarbij [eiser], die zich toen op die andere helft bevond, door een bal aan het rechteroog is getroffen. [eiser] heeft hierdoor het gezichtsvermogen van dit oog verloren. Hij heeft in dit geding een bedrag gevorderd van f 40.094,-- ter zake van materiƫle en immateriƫle schade, waartoe hij heeft gesteld dat [verweerder] de bedoelde bal - terwijl het spel dood was - zo krachtig en onoplettend heeft geslagen, nl. door niet op te letten, waar de bal terecht zou komen, dat hij op die grond onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.
3.2 De Rechtbank heeft deze vordering afgewezen op de gronden, kort samengevat, dat [eiser] door deel te nemen aan een partij tennis zich heeft blootgesteld aan het risico dat hij door een tennisbal zou worden getroffen, ook bij het overbrengen van de ballen tussen twee games, en dat, daarvan uitgaande, niet gebleken is van een onrechtmatige gedraging van [verweerder]. Het Hof heeft de daartegen gerichte grieven verworpen.
3.3 Het middel aanvaardt de juistheid van het uitgangspunt van rechtbank en Hof dat bij het oordeel of een deelnemer aan een partij tennis onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, voor het aannemen van onrechtmatigheid zwaardere eisen moeten worden gesteld dan wanneer die gedraging niet in het kader van de voormelde spelsituatie zou hebben plaatsgevonden.
Het middel voert daarentegen in hoofdzaak aan dat een spelsituatie waarvoor dit uitgangspunt geldt, zich ten tijde van het onderhavige ongeval niet voordeed, omdat dit ongeval is geschied op een tijdstip dat niet werd gespeeld, maar slechts tussen twee games de (voor het spel benodigde ) ballen van de ene naar de andere speelhelft werden overgebracht. De hierop gerichte klachten falen. het Hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat [verweerder] en [eiser] zich ook bij het overbrengen van de ballen tussen de twee games in een situatie bevonden waarin bij de beoordeling van de eventuele onrechtmatigheid van de gedragingen van [verweerder] het voormelde uitgangspunt had te gelden. Dit sterk met de feiten verweven oordeel behoefte ook geen nadere motivering. Voor zover het middel het Hof verwijt te hebben aangenomen dat "de sfeer van het spel ook gedurende de meer bedoelde wisselperiode voor wat betreft het risico om door een bal te worden getroffen dezelfde is als tijdens het spelen van de games", mist het feitelijke grondslag, nu het Hof dat ervan is uitgegaan dat het ongeval tijdens de wisselperiode heeft plaatsgevonden, kennelijk uitsluitend deze periode in zijn oordeel heeft betrokken.
Voor zover het middel voorts - in het bijzonder in onderdeel 3 - een afzonderlijke klacht bedoelt te richten tegen het gedeelte van 's Hofs rechtsoverweging 4.2, waarin het Hof in verband met de hier voor onrechtmatigheid te stellen eisen spreekt van "handelen met, in de sfeer van het spel, grove onvoorzichtigheid", faalt het eveneens. Het Hof heeft met deze wending tot uitdrukking gebracht dat gedragingen in het kader van het tennisspel, die buiten de spelsituatie onvoorzichtig en daarom onrechtmatig zouden zijn geweest, binnen de spelsituatie dit karakter niet behoeven te hebben, omdat de deelnemers aan het spel gedragingen waartoe het spel uitlokt, waaronder onvermijdelijk van tijd tot tijd ook misslagen, over en weer van elkaar hebben te verwachten, terwijl een dergelijke gedraging niet onzorgvuldig wordt op de enkele grond dat zij door een ongelukkige samenloop van omstandigheden tot gevolg heeft dat een der deelnemers ernstig letsel oploopt. Aldus opgevat geeft 's Hofs voormelde overweging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 956,30 aan verschotten en f 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Roelvink, Davids en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 19 oktober 1990.