[geïntimeerde 1] heeft zich op 17 juli 2012 met een inleidend verzoek, onder verwijzing naar artikel 96 Rv, gewend tot de kantonrechter Bergen op Zoom. In dit verzoekschrift (niet: dagvaarding) is onder meer vermeld:
“Eisers vorderen dat u bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden veroordeelt
tot:
1. Vrijgave aan eisers van het bij de notaris in depot staande bedrag, groot
€ 94.993,75, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart
2012;
2. Gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, om aan eisers te betalen het bedrag van
€ 204.246,78, op grond van het bepaalde in artikel 4:184, lid 2 onder b BW;
3. Met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure, gevallen aan
de zijde van eisers.”
Uit het verzoekschrift met bijlagen blijkt verder dat voormelde vorderingen zijn gebaseerd op de reeds genoemde vaststellingsovereenkomst die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 22 december 2004 hebben gesloten met mevrouw [erflater].
Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], in het licht van het voorgaande, met hun vorderingen “het geschil” zoals bedoeld in de vaststellingsovereen- komst die bij gelegenheid van de behandeling van het kort geding op 30 maart 2012 was gesloten, derhalve op de voet van artikel 96 Rv, voorgelegd aan de kantonrechter.