GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.091.805/01
arrest van 11 februari 2014
[de man]
,
wonende te [woonplaats], Belgie,
appellant,
advocaat: mr. P.J.T. Austen,
1
[de man],
wonende te [woonplaats],
2. [de vrouw],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. R.A.M. Koolen,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 20 september 2011 en 11 juni 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 147659/HA ZA 10-96 gewezen vonnis van 9 maart 2011.
10 De verdere beoordeling
10.1
Bij genoemd tussenarrest van 11 juni 2013 zijn [geïntimeerden c.s.] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [appellant] dat de koopovereenkomst gesloten tussen [geïntimeerden c.s.] en [kandidaat-kopers c.s.] tot stand is gekomen als gevolg van de dienstverlening van [appellant] aan [geïntimeerden c.s.] tijdens de looptijd van de opdracht.
10.2
[geïntimeerden c.s.] hebben afgezien van het voorbrengen van getuigen. Zij hebben evenmin op andere wijze tegenbewijs geleverd.
10.3
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof er in rechte van uit gaat dat de koopovereenkomst tussen [geïntimeerden c.s.] en [kandidaat-kopers c.s.] tot stand is gekomen op grond van de dienstverlening van [appellant] aan [geïntimeerden c.s.] tijdens de looptijd van de opdracht. De grieven 2 tot en met 4, die zijn gericht tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank, slagen daarom. Het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen, zal daarom vernietigd worden.
10.4
Op grond van de devolutieve werking van het appel zal het hof thans de door de rechtbank niet behandelde c.q. verworpen verweren van [geïntimeerden c.s.] beoordelen. In de eerste plaats betreft dat het beroep van [geïntimeerden c.s.] op artikel 13.6 van de voorwaarden, in die zin dat de aan [appellant] toekomende courtage in redelijkheid op nihil dient te worden gesteld. [appellant] vordert betaling van € 10.147,50, zijnde de volledige krachtens de overeenkomst van opdracht, op grond van (naar het hof begrijpt) de tussen [geïntimeerden c.s.] en [kandidaat-kopers c.s.] overeengekomen koopprijs, verschuldigde courtage.
10.5
Bij de bepaling van het naar redelijkheid vast te stellen deel van de courtage waarop [appellant] in dit geval krachtens artikel 13.3 van de voorwaarden recht heeft dient volgens artikel 13.6 rekening gehouden te worden met de reeds door [appellant] verrichte werkzaamheden, het voordeel dat [geïntimeerden c.s.] daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is beëindigd.
10.6
De door [appellant] verrichte werkzaamheden zijn de volgende:
- het opstellen van een verkoopbrochure;
- het zes maal bijwonen van een bezichtiging van het huis door potentiële kopers;
- het adverteren met het huis in kranten en op websites;
- het bemiddelen tussen [kandidaat-kopers c.s.] en [geïntimeerden c.s.] toen eerstgenoemden een bod op het huis deden.
10.7
De redenen van de beëindiging door [geïntimeerden c.s.] van de opdracht aan [appellant] zijn te vinden in de brief van [geïntimeerden c.s.] van 15 februari 2009 (deels weergegeven in het tussenarrest van 11 juni 2013 onder 7.1.e.). Deze redenen komen er, zakelijk weergegeven, op neer dat [appellant], dan wel zijn medewerker [medewerker van appellant], zonder voorafgaande mededeling te laat aanwezig was op een aantal bezichtigingen en dat [appellant] (deels) niet in staat was vragen van de potentiële kopers te beantwoorden c.q. juiste informatie aan [kandidaat-kopers c.s.] te verstrekken. Voormelde verwijten ontkent [appellant] niet.
Voorts wordt in de brief van 15 februari 2009 als reden genoemd dat [appellant], dan wel [medewerker van appellant], tijdens diens gesprekken met [kandidaat-kopers c.s.] over een bod op het huis heeft gehandeld in strijd met instructies en verzoeken van [geïntimeerden c.s.] Dat verwijt wordt door [appellant] bestreden.
10.8
Het voordeel dat [geïntimeerden c.s.] hebben gehad van de door [appellant] verrichte werkzaamheden betreft het feit dat de uiteindelijke kopers, [kandidaat-kopers c.s.], door (een deel van) die werkzaamheden (verder) geïnteresseerd zijn geraakt in het huis en dat, na beëindiging van de opdracht aan [appellant], hebben gekocht.
Feit is echter dat [geïntimeerden c.s.] in hun na de beëindiging van de opdracht aan [appellant] met [kandidaat-kopers c.s.] gevoerde onderhandelingen een koopsom zijn overeengekomen van
€ 615.000,--. Het door [kandidaat-kopers c.s.] via [appellant] gedane bod was beduidend lager, namelijk € 585.000,--. Dat [appellant] c.q. [medewerker van appellant] zich concreet heeft ingespannen om te zorgen dat [kandidaat-kopers c.s.] tot een hoger bod zouden komen en dat [kandidaat-kopers c.s.] een hoger bod heeft gedaan heeft [appellant], tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerden c.s.] onvoldoende concreet gesteld.
10.9
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het deel van de courtage waarop [appellant] in dit geval op grond van artikel 13.6 van de voorwaarden in redelijkheid aanspraak kan maken 50% van het gevorderde bedrag is. Het hof zal derhalve een bedrag van € 5.073,75 toewijzen, te vermeerderen met de op zich niet weersproken wettelijke rente als gevorderd. Voor de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden c.s.] heeft [appellant] geen gronden aangevoerd. Die hoofdelijke veroordeling zal, nu op grond van artikel 6:6 BW verbondenheid voor gelijke delen hoofdregel is, worden afgewezen.
10.10
De vordering van [appellant] ter zake van buitengerechtelijke incassokosten ad € 952,-- zal worden afgewezen. [appellant] heeft, tegenover het verweer van [geïntimeerden c.s.] dat deze kosten vallen onder de kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 241 Rv. een vergoeding plegen in te sluiten, niets aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt.
10.11
De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, zal worden vernietigd. De vordering van [appellant] in conventie zal worden toegewezen tot na te melden bedrag.
10.12
De proceskosten zullen, nu partijen over en weer in het ongelijk gesteld zijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gecompenseerd worden zoals hierna in het dictum is vermeld.
11 De uitspraak
vernietigt het vonnis waarvan beroep van 9 maart 2011 voor zover in conventie gewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende,
veroordeelt [geïntimeerden c.s.] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 5.073,75 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 juli 2009 tot de dag der algehele voldoening;
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, J.C.J. van Craaikamp en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2014.