Rolnummer: 22-003177-06
Parketnummer: 10-701173-05
Datum uitspraak: 27 november 2007
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
Meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen)
op [geboortedag] 1964,
[detentieadres].
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
13 november 2007.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De vordering van de advocaat-generaal - die nader is onderbouwd in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte schriftelijke requisitoiraantekeningen - houdt in dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest en dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
3. Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is zijn terbeschikkingstelling gelast, met een bevel tot verpleging van overheidswege. Daarnaast zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het vonnis omschreven.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
4. Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
5. Weergave van de feiten en omstandigheden
Op 25 juni 2005 omstreeks 5:19 uur gaan verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] na een telefonische melding van een man die slechts zegt: “[adres]”, in opdracht van personeel van het regionaal verbindingscentrum van de politie Rotterdam-Rijnmond naar genoemd adres te [plaatsnaam]. Zij treffen na aankomst omstreeks 5:28 uur in een slaapkamer op de bovenverdieping een man en een vrouw aan, liggend op een bed. Tussen hen in ligt een groot, met bloed besmeurd keukenmes. Het mes is, tussen de handgreep en het lemmet, omwikkeld met plakband. De verbalisanten zien dat de vrouw is bedekt met dun textiel dat beschadigd is ter hoogte van haar hart. Bij de borststreek van de vrouw zien de verbalisanten een tweetal dicht naast elkaar liggende sneden. Zij voelen bij de vrouw geen hartslag meer en haar huid is gelig van kleur. Ze blijkt te zijn overleden. Het bed en de vloer van de slaapkamer zijn besmeurd met bloed. De man is gewond en wordt overgebracht naar het ziekenhuis.1 Blijkens informatie van de afdeling bevolking van het GBA [plaatsnaam] is het slachtoffer genaamd [slachtoffer], geboren [geboortedatum]. De man is blijkens diezelfde informatie genaamd [verdachte], geboren op [geboortedag] 1964.2 Hij wordt na ontslag uit het ziekenhuis aangehouden als verdachte.3
Uit het sectieverslag4 komt onder meer het volgende naar voren - zakelijk weergegeven - : één steekletsel linksvoor in de borst (V-vorm) en onderliggend twee steekkanalen:
1. linksvoor op de borst met perforatie van de derde rib, het hartzakje, het hart middenvoor, doorsnijding van het kamertussenschot, perforatie van de linkerboezem, het middenschot en de aorta, eindigend in de wervelkolom. Lengte steekkanaal ca. 14 cm.
2. linksvoor op de borst met perforatie van de derde rib, het hartzakje, de linkerhartkamer aan voor- en achterzijde, het middenrif links middenboven, de linkerleverkwab, aansnijding van de milt en eindigend in de tiende tussenribsruimte linksachter. Lengte steekkanaal ca. 19 cm.
De letsels zijn blijkens het verslag bij leven ontstaan en zijn het gevolg van de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld, zoals kan worden opgeleverd door het steken met een mes. Geconcludeerd wordt dat het overlijden van het slachtoffer volledig is te verklaren door bloedverlies en weefselschade ten gevolge van steekletsels.
Uit verder onderzoek5 is gebleken dat het lemmet van het mes het lichaam van het slachtoffer tijdens het toebrengen van de twee scherprandige perforaties niet helemaal heeft verlaten. Het is daar gedeeltelijk in gebleven, lichtjes neerwaarts gekanteld en gedraaid, en vervolgens wederom het lichaam in gedrukt.6
De verdachte heeft niet betwist dat hij het slachtoffer heeft gedood. Ter terechtzitting in eerste aanleg van
7 april 2006 heeft hij onder meer verklaard – zakelijk weergegeven - : “Ik heb [slachtoffer] op 25 juni 2005 om het leven gebracht. Ik ben op de bank gaan liggen. Ik werd wakker en nam waar dat ik op [slachtoffer] zat en ik zag een mes in haar borst.”7 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring bevestigd.
6. Standpunt verdediging
Het standpunt van de verdediging, dat is weergegeven in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities, laat zich als volgt samenvatten:
A. Geen opzet op overlijden slachtoffer
Primair dient de verdachte bij gebreke van opzet op het overlijden van het slachtoffer integraal te worden vrijgesproken, nu bij de verdachte sprake is van volledige amnesie ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen en niet boven iedere twijfel is verheven dat hij niet heeft gehandeld in een dissociatieve toestand c.q. een “zwart gat”. Het opzet kan volgens de raadsman ook niet worden afgeleid uit hetgeen (enige uren) vóór het gebeurde heeft plaatsgevonden.
B. Geen voorbedachte raad
Subsidiair dient de verdachte van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is geweest van voorbedachte raad.
Immers, de verdachte herinnert zich niets van het gebeurde, zodat er geen ruimte was voor een “realiteitstoets”. Bovendien was de verdachte door zijn panieksituatie ten gevolge van het kennelijk onomkeerbare einde van zijn relatie niet in staat te plannen.
C. Verklaring opmerkelijke omstandigheden
Meer subsidiair dienen – in het verlengde van de stelling dat er geen sprake was van voorbedachte raad - de omstandigheden die de officier van justitie en/of de rechtbank hebben betrokken bij hun oordeel dat daarvan juist wel sprake was en/of dat verdachtes stelling dat hij zelfmoord wilde plegen ongeloofwaardig is, als volgt te worden verklaard.
1. de door de verdachte op 24 juni 2005 vanaf 23:14 uur in een zoekmachine ingetoetste zoektermen (o.m. “messteek” en “how to kill”) hadden tot doel een manier te vinden om zichzelf van het leven te beroven;
2. de verdachte heeft na het intoetsen van de zoektermen niet - zoals de officier van justitie in zijn requisitoir heeft aangevoerd - de historie van zijn internetgebruik (selectief) gewist;
3. het is niet aannemelijk dat de verdachte zijn zelfmoordpogingen in scène heeft gezet. Hij was na constatering van de dood van [slachtoffer] immers wanhopig en wilde niet verder leven.
4. uit het dossier volgt niet dat de verdachte zijn afscheidsbrief vóór het doden van [slachtoffer] heeft geschreven;
5. de verdachte heeft na het doden van [slachtoffer] en vóór zijn zelfmoordpogingen wel degelijk geld aan zijn kinderen overgemaakt;
6. de verdachte heeft het wachtwoord van zijn pc niet gewijzigd, maar juist verwijderd, opdat de kinderen en grootouders makkelijker bij foto’s en dergelijke zouden kunnen komen;
D. Meest subsidiair sluit het dossier handelen door de verdachte in een opwelling niet uit. Immers, niet kan worden vastgesteld door wie en op welk tijdstip het mes is geprepareerd en bovendien zijn de zoektermen ongeveer drie uur vóór het doden van [slachtoffer] ingetoetst.
7. Het oordeel van het hof
A. Dissociatieve toestand
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman bij de verdachte veronderstelde bestaan van een dissociatieve toestand c.q. een “zwart gat” tijdens het doden van het slachtoffer niet aannemelijk is geworden. Het hof verwerpt dus het verweer en overweegt daartoe het navolgende.
Rapportages en verklaringen getuige-deskundigen
Zowel uit de – op verzoek van de verdediging op dit specifieke punt opgemaakte - rapportage pro justitia d.d. 12 juni 2007 (opgesteld en ondertekend door de psychiater mw. drs. A.M.M. van der Reijken) als uit de rapportage pro justitia d.d. 20 juni 2007 (opgesteld en ondertekend door de psycholoog Prof. dr. J.J. Baneke, hierna: Baneke) komt naar voren dat er bij de verdachte geen aanwijzingen zijn voor dissociatie. Ook de ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde psycholoog C.M. van Deutekom en psychiater A.M. Bruijns hebben beiden aangegeven dat zij absoluut niet de indruk hadden dat de verdachte gedissocieerd is geweest.
Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat niet boven iedere twijfel is verheven dat de verdachte niet heeft gehandeld in een dissociatieve toestand c.q. een “zwart gat”, nu Baneke immers in zijn rapport heeft geschreven dat dissociatie niet volledig kan worden uitgesloten (cursivering hof), overweegt het hof dat voldoende is dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte gedissocieerd is geweest. Van enige twijfel dienaangaande blijkt bij geen van de genoemde deskundigen.
Gedetailleerde verklaringen verdachte
Baneke heeft in zijn rapportage geschreven:
Bij dissociatie is meestal sprake van een verlaagde bewustzijnstoestand, zoals tijdens slaap, slaapwandelen of epileptische aanvallen, waarbij de dissociatie zelden bestaat uit één moment of een zeer korte episode, maar meestal al vooraf gegaan en gevolgd wordt door episodes van verminderde bewustzijnstoestand, waaruit vage herinneringen overblijven.
Gezien de zeer gedetailleerde beschrijvingen door betrokkene van zijn handelingen en gedachten voor en na de episode waarin het slachtoffer gedood is, getuigend van een zeer heldere bewustzijnstoestand en een vermogen tot bewust, intentioneel en planmatig handelen, lijkt in dit geval een dergelijke vorm van amnesie en dissociatie onderzoeker niet aannemelijk.
Met Baneke is het hof van oordeel dat het veronderstelde bestaan bij de verdachte van een dissociatieve toestand tijdens het doden van het slachtoffer zich niet verdraagt met door de verdachte afgelegde, gedetailleerde verklaringen over de gebeurtenissen vóór en vlak na zijn fatale handelingen. Zo herinnert hij zich (blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2006), onder meer het navolgende – zakelijk weergegeven - :
[slachtoffer] ging naar boven. Ze belde met haar ouders. Daarna hebben wij gesproken over de verjaardag van [X]. Ik zat voor de televisie. Ik heb de computer aangezet en gekeken of [slachtoffer] een betaling had verricht. Daarna ben ik andere sites gaan bezoeken. Ik ging van de site therapie naar relatietherapeuten en toen ben ik gaan zoeken op de trefwoorden mes, messteek, dood en hartstreek. Op enig moment ben ik opgestaan. Ik voelde dat het bij mij van binnen aan het borrelen was en voelde een blinde woede opkomen. Ik ben op de bank gaan liggen. Toen ik weer wakker werd, voelde ik mij kwaad.
Ik had het warm en heb een deur opengedaan.
Ik werd op enig moment wakker en nam waar dat ik op [slachtoffer] zat en ik zag een mes in haar borst. Ik zag dat zij was overleden. Toen [kind 1]. huilde, heb ik het mes uit het lichaam gehaald en naast haar neergelegd. Eerst heb ik [kind 1]. water gegeven, vervolgens heb ik de telefoon gepakt en toen heb ik, om te voorkomen dat [kind 2] wakker zou worden, [kind 1]. een fles gegeven en de telefoon weer neergelegd. Beneden heb ik een nieuwe fles gemaakt en heb ik via internet gebankierd. Ik heb een afscheidsbrief geschreven, zodat mensen zouden weten wat er zich heeft afgespeeld.
Ik heb mij eerst in mijn polsen gesneden. Ik zat toen op bed. Toen heb ik in mijn been gesneden. Vervolgens heb ik een borststeek uitgevoerd en ben ik naast [slachtoffer] gaan liggen. Toen ben ik gaan hangen. Ik heb een riem aan een spijl van de trapleuning vastgemaakt. Mijn bloed druppelde toen. Ik stond op de trap en boven mijn hoofd heb ik de riem bevestigd. Ik stond op de vierde of vijfde trede van de trap. De gesp is uit de riem gesprongen. Ik ben naar [slachtoffer] gelopen, gekropen, gestruikeld en in bed geklommen met een tweede riem. In de slaapkamer heb ik de riem om mijn nek gedaan. Ik wilde met [slachtoffer] gevonden worden. Ik herinner mij dat er enige drukte was in huis. Eenmaal in de ambulance heb ik om een telefoon gevraagd.8
Het hof acht het bestaan van een toestand van dissociatie des te minder aannemelijk, nu de verdachte in zijn eerste politieverklaring9, welke nog geen dag na het gebeurde is afgelegd, daarover met geen woord heeft gerept. Deze (gedetailleerde) verklaring houdt onder meer het navolgende in – zakelijk weergegeven - :
Ik heb mijn part[slachtoffer]lachtoffer] van het leven beroofd. Ik heb haar doodgestoken. Ik kan u vertellen waarom ik dat gedaan heb. Wij hebben sinds 14 jaar een relatie. Sinds korte tijd zijn er problemen ontstaan tussen ons. Op vakantie in Italië vertelde [slachtoffer] mij dat ze verliefd was op een andere man en onze relatie wilde beëindigen. Het was voor mij duidelijk dat ze echt niet meer verder wilde. Gisteravond ben ik omstreeks 23:00 uur gaan slapen op de bank in de woonkamer beneden. [slachtoffer] was boven naar bed gegaan. Ik had even geslapen en werd ineens wakker. Ik kreeg een enorme woedeaanval. Ik pakte toen een mes uit de keuken en liep de trap op. Ik ben toen naar [slachtoffer] gelopen die lag te slapen en heb haar toen doodgestoken.
Het hof hecht geen geloof aan de - pas ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde - verklaring van de verdachte, inhoudende – zakelijk weergegeven - dat hij tijdens het verhoor bij zijn inverzekeringstelling, mede door zijn toen zwakke psychische toestand, logisch redenerend zelf invulling heeft gegeven aan het gebeurde tijdens zijn dissociatieve toestand c.q. “zwarte gat”.
B. Opzet en voorbedachte raad
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Het hof leidt het opzet en de voorbedachte raad uit het navolgende af.
Zoektermen
Vast staat dat de verdachte enige uren vóór het gebeurde, op internet in een zoekmachine de volgende zoektermen heeft ingetoetst: “messteek”, “messteek hartstreek”, “killing people”, “killing methods”, “how to kill”, “how to kill someone”, “to kill someone”, “iemand vermoorden”, “fastest way to kill”, “fastest way to kill someone”, “fastest killing”, “doodsteek”, “hoe te vermoorden” en “snelste dood”.10 Aldus heeft de verdachte naar 's hofs oordeel doelbewust gezocht naar een manier om het slachtoffer te doden.
Het hof hecht geen geloof aan de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring dat de door hem ingetoetste zoektermen tot doel hadden een manier te vinden om zichzelf van het leven te beroven. Naar 's hofs oordeel kan er, gelet op die termen, in onderling verband en samenhang bezien, geen misverstand over bestaan dat de verdachte heeft beoogd te zoeken naar een manier om het slachtoffer te doden.
De stelling van de verdachte dat hij geen termen als “zelfmoord” of “zelfdoding” heeft ingetoetst, omdat in dat geval slechts wordt verwezen naar hulpverlenings-sites, is naar 's hofs oordeel niet aannemelijk. De tijdens één van de zittingen in hoger beroep overgelegde overzichten van zoekresultaten van zoekmachines na het intoetsen van de termen “zelfmoord” en “zelfdoding”, kan aan dat oordeel niet afdoen, ook omdat daarin steeds slechts de eerste tien resultaten worden getoond.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat blijkens het dossier alle beweerdelijk door de verdachte na het doden van het slachtoffer ondernomen zelfmoordpogingen absoluut ondeugdelijk waren11 en de wonden zichtbaar op een dusdanige manier zijn aangebracht dat dodelijk letsel is vermeden12, hetgeen de stelling van de verdachte des te minder aannemelijk maakt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de manier waarop de verdachte heeft gepoogd zich naar zijn zeggen van het leven te beroven, namelijk het doorsnijden van zijn polsen en ophangen/verwurgen met de riem, niet overeenkomt met de zoektermen. De messteken in borst en been worden niet genoemd in het verslag van de forensische artsen, noch zijn er aanwijzingen/littekens van teruggevonden.13
Geprepareerd keukenmes
Op de plaats delict werd in de directe nabijheid van het slachtoffer een (keuken)mes aangetroffen en in beslag genomen. Tussen het handvat en het lemmet was met tape een doek vastgezet, naar 's hofs oordeel kennelijk om de grip te vergroten en om het eventuele afglijden en verwonden van de eigen hand te voorkomen. Het mes is voor onderzoek naar het NFI verzonden.14 Uit het dossier komt naar voren dat het tape waarmee het textiel aan het mes was vastgeplakt, van een rol afkomstig was, die is teruggevonden in een keukenkastje in de woning van de verdachte en het slachtoffer.15 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard – zakelijk weergegeven - dat het mes ófwel van het aanrecht, ófwel uit de keukenlade van zijn woning kwam en dat hij het mes (ondanks zijn stelling dat hij zich dat niet herinnert) wel moet hebben geprepareerd, aangezien er verder niemand anders in huis was die dat gedaan kon hebben.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die het mes ten behoeve van zijn voorgenomen daad heeft geprepareerd.
Conclusie
Uit het intoetsen van de zoektermen en het prepareren van het mes spreekt naar het oordeel van het hof bewust en planmatig handelen. Naar ’s hofs oordeel heeft de verdachte voldoende gelegenheid gehad om zich te beraden op zijn besluit. Van de door de verdediging veronderstelde aanwezigheid van een panieksituatie bij de verdachte vóór het doden van het slachtoffer is het hof – mede gelet op het planmatig handelen van de verdachte - niets gebleken. Dat de verdachte in een opwelling zou hebben gehandeld, acht het hof dus niet aannemelijk, mede gelet op zijn bij inverzekeringstelling afgelegde verklaring zoals die hiervoor is weergegeven. Ook de verweren op deze punten worden dus verworpen.
Het door de verdediging onder C2, C4, C5 en C6 aangevoerde behoeft op grond van het hiervoor vermelde geen bespreking en speelt overigens bij de bewijsvoering geen rol.
8. Beslissing op verzoek
Het hof wijst het op de pro-formazitting in hoger beroep van 9 februari 2007 door de verdachte gedane – en daarbij reeds vooralsnog afgewezen - verzoek om een reconstructie van zijn zelfmoordpoging met de riem te gelasten af, nu dat – door de verdachte op de zitting van 13 november 2007 gehandhaafde - verzoek onvoldoende is onderbouwd en een en ander niet noodzakelijk is voor enige te nemen (bewijs)beslissing.
9. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde (moord) heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 juni 2005 te [plaatsnaam] opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [sl[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in de borst van [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Moord.
11. Strafbaarheid van de verdachte
Er is – mede gelet op de na te noemen rapportages pro justitia - geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.
12. Motivering van de straf en de maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf en de maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft in de nacht van 25 juni 2005 opzettelijk en met voorbedachten rade zijn partner en tevens moeder van hun twee kleine kinderen in haar slaap om het leven gebracht en zich zodoende schuldig gemaakt aan moord. Zijn motief was kennelijk gelegen in het feit dat het slachtoffer verliefd was geworden op een andere man en zij had aangekondigd bij de verdachte weg te zullen gaan.
De verdachte heeft aan zijn nog jonge partner die in de bloei van haar leven was haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Als gevolg daarvan moeten haar nog zeer jonge kinderen van nu vijf en drie jaar oud opgroeien zonder hun moeder. Tegelijkertijd zijn de kinderen door deze daad hun vader in zekere zin ook kwijtgeraakt, omdat zij plotsklaps niet langer met hem verder kunnen leven binnen een normale en onverstoorde ouder-kindrelatie.
De ouders van verdachtes partner zullen voorts moeten leven met het nauwelijks te bevatten feit dat hun schoonzoon hun dochter heeft vermoord. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vader van het slachtoffer verklaard dat het gebeurde bij alle nabestaanden, collega's en vrienden onpeilbaar verdriet heeft veroorzaakt en dat het hen als ouders tot verbitterde mensen heeft gemaakt.
Als gevolg van het handelen van de verdachte rust op hen bovendien van het ene op het andere moment opeens de zorg voor de opvoeding van hun kleinkinderen, iets wat hen blijkens genoemde verklaring zwaar valt, maar wat zij uit liefde voor hun dochter en kleinkinderen gelukkig aankunnen.
De daad van de verdachte heeft aldus ongewoon verstrekkende gevolgen gehad en heeft niet alleen het leven van het slachtoffer wreed beëindigd, maar ook de levens van alle nabestaanden onherstelbaar beschadigd.
Een moord als deze draagt tenslotte een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.
Op het bewezenverklaarde kan naar 's hofs oordeel, gelet op de buitengewone ernst van het feit en de ernstige gevolgen daarvan, niet anders worden gereageerd dan door het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof is van oordeel dat de duur van de gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal aan die ernst en die gevolgen geen recht doet. Het zal daarom een hogere gevangenisstraf opleggen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof (onder meer) acht geslagen op het navolgende.
1. de rapportage pro justitia d.d. 12 juni 2007, opgemaakt en ondertekend door mw. drs. A.M.M. Van der Reijken, psychiater. In dit rapport wordt onder meer overwogen – zakelijk weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van de stoornis van Asperger. Zijn autismesprectrumstoornis maakt het voor hem heel moeilijk zich te verplaatsen in de situatie van een ander. Probleem is dat de verdachte geen inzicht heeft in hoe de stoornis van Asperger bij hem tot uiting komt. Daarbij komt een persoonlijkheids-stoornis NAO, die vooral tot uiting komt in narcistische trekken. De verdachte is door beide stoornissen zeer krenkbaar. In emotionele zaken, wanneer er met argumenten niet veel meer te bereiken is, wordt het voor hem moeilijk. Dan zal zijn krenkbaarheid naar voren komen, die maakt dat hij kwetsbaar wordt, waardoor recidive niet uit te sluiten is.
2. De rapportage pro justitia d.d. 20 juni 2007, opgemaakt en ondertekend door Prof. dr. J.J. Baneke, psycholoog. Deze gedragsdeskundige concludeert – zakelijk weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een stoornis van Asperger, en van een persoonlijkheids-stoornis met narcistische, passief-agressieve, obsessief-compulsieve en theatrale trekken. Vooral de narcistische krenkbaarheid en kwetsbaarheid van de verdachte, in combinatie met zijn onvermogen adequaat om te gaan met negatieve emoties, worden bepalend geacht voor het doden van het slachtoffer. De stoornissen zijn mogelijk versterkt door de stoornis van Asperger. De gedragsdeskundige adviseert de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De persoonlijkheidsstoornis maakt volgens hem de kans op herhaalde kwetsingen en plotselinge agressieve reacties groot. Op basis van zijn onderzoek adviseert Baneke, in overleg met mederapporteur Van der Reijken, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Overwogen wordt dat de verdachte geen, althans onvoldoende inzicht in de eigen problematiek en stoornissen heeft en dat het risico dat hij (zeker na enige tijd) niet meer op vrijwillige basis zou willen deelnemen aan een noodzakelijke behandeling te groot is om tot een ander advies te komen.
Gelet op de conclusies van de psychiater en de psycholoog is het hof van oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.
Het hof maakt gelet op artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en bij gebreke van instemming van de verdediging, geen gebruik van de op 16 maart 2006 gedagtekende rapportage pro justitia, opgemaakt door C.M. Van Deutekom, klinisch psycholoog en A.C. Bruijns, psychiater.
De aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eisen naar ‘s hofs oordeel – naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdachte, met bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte zoals vermeld ten tijde van het plegen van het feit lijdende was aan zodanig ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens dat dit feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Het hof acht het niet raadzaam een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling van de verdachte zal aanvangen en wijst het verzoek van de raadsman dienaangaande af.
13. Vordering tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces heeft de benadeelde partij [benadeelde partij] zich middels zijn gemachtigde [gemachtigde] gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van EUR 19.252,94 (waarvan EUR 238,-- voor juridische bijstand).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 19.014,94.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij is door noch namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte bewezen verklaarde. Zijn vordering zal daarom worden toegewezen.
Ook de tot op heden gemaakte kosten voor juridische bijstand (EUR 238,--) en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken, komen voor vergoeding in aanmerking.
14. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen verklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 19.252,94 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].
15. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a (oud), 37b en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
16. BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen verklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf) jaren.
Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast voorts dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van
EUR 19.014,94 (negentienduizend veertien euro en vierennegentig cent)
en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - tot aan deze uitspraak EUR 238,00 - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] van een bedrag van
EUR 19.252,94 (negentienduizend tweehonderd tweeënvijftig euro en vierennegentig cent),
voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van
126 (honderd zesentwintig) dagen,
met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. R.C.A. Duindam en mr. M.J. Bax-Luhrman, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 november 2007.
1 proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2005 met nummer 2005220925-2, AH1, ordner met opschrift 701173-05 [verdachte] deel I.
2 zaaksproces-verbaal d.d. 27 juni 2005, met nummer 2005220925, blz. 4, ordner met opschrift 701173-05 [verdachte] deel I;
een geschrift, zijnde een overzicht van zoekresultaten na intoetsen van ‘[adres] [plaatsnaam]’ in GBA online, ordner met het opschrift 701173-05 [verdachte] deel II (dossierpagina 5).
3 proces-verbaal van aanhouding d.d. 25 juni 2005 met nummer 2005220925-8, AH6, ordner met het opschrift 701173-05 [verdachte] deel I.
4 een geschrift, zijnde een sectierapport d.d. 7 oktober 2005 met nummer 2005-297/Tr056, opgemaakt door H.A. Tromp, arts en patholoog van het NFI, inhoudende een verslag van de schouwing van het lijk van [slachtoffer], geboren [geboortedatum], ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II.
5 vervolg proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 5 december 2005, met Xpolnr. 2005220925-B, inhoudende het verhoor van de getuige Prof. dr. Van de Voorde, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II.
6 aldus Prof. dr. Van de Voorde, blz. 3 van het onder 5 genoemde proces-verbaal.
7 een geschrift, zijnde een (digitaal) afschrift van het proces-verbaal van de op 7 april 2006 in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam, blz. 3-4.
8 het in noot 7 genoemde geschrift, blz. 3-8.
9 proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 25 juni 2005 (te 19:00 uur), nr. 2005220925-12, AH 13, ordner met het opschrift 701173-05 [verdachte] deel I.
10 proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2005 van de
politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 0506281600.OIG, blz. 5-6, onder 4., ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel I.
11 proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 juni 2005 van de
politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005220925-32, G-6-1, blad 2, laatste alinea, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel I;
faxbericht d.d. 8 augustus 2005 van de forensische artsen Rotterdam Rijnmond, betreffende medische informatie / letselbeschrijving op 25 juni 2005 over de verdachte, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II;
het in opdracht van de rechter-commissaris opgemaakte deskundigenrapport d.d. 10 maart 2006, opgemaakt door H.A. Rodrigues, map rapportages, dossierstuk genummerd 21;
proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, Forensisch Technische Ondersteuning, met X-polnr. 2005-220-925-A, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II;
proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, Forensische Opsporing, met X-polnr. 2005-220925-3, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II.
12 faxbericht d.d. 8 augustus 2005 van de forensische artsen
Rotterdam Rijnmond, betreffende medische informatie / letselbeschrijving op 25 juni 2005 over de verdachte, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II;
13 het in opdracht van de rechter-commissaris opgemaakte
deskundigenrapport d.d. 10 maart 2006, opgemaakt door H.A. Rodrigues, map rapportages, dossierstuk genummerd 21;
14 proces-verbaal relaas van onderzoek d.d. 14 september 2005, van
de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005220925-A, blad 8, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel I.
15 vervolg proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 5
december 2005, met Xpolnr. 2005220925-B, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II;
Proces-verbaal d.d. 9 augustus 2005 van de politie Rotterdam-Rijnmond, Xpolnr. 2005-220925-39, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II;
deskundigenrapport d.d. 8 februari 2006 van het NFI, opgemaakt door ing. I. Keereweer, ordner met het opschrift: 701173-05 [verdachte] deel II;