Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2949

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
200.177.931/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:11274, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenkamer; open en reëel overleg; loonruimte-overeenkomst

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2059
PJ 2015/180
Bb 2015/88.1
AR 2016/818
AR 2016/824
JIN 2016/25 met annotatie van S.F.H. Jellinghaus en E.G.M. Huisman
JAR 2015/296
AR-Updates.nl 2015-1076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.177.931/01

Zaak- en rolnummer rechtbank: C/09/495825/ KG ZA 15-1365

arrest van 27 oktober 2015

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ALGEMENE CENTRALE VAN OVERHEIDSPERSONEEL ("ACOP FNV"),

gevestigd te Zoetermeer,

appellante,
hierna te noemen: ACOP FNV,

advocaat: mr. S.F. Sagel te Amsterdam,

tegen:

A.

  1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Ministerie van Veiligheid en Justitie; Ministerie van Defensie; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),
    zetelend te Den Haag,

  2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
    UNIE VAN WATERSCHAPPEN,
    gevestigd te Den Haag,

  3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
    HET INTERPROVINCIAAL OVERLEG,
    gevestigd te Den Haag,

  4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
    VERENIGING VAN NEDERLANDSE GEMEENTEN,
    gevestigd te Den Haag,

  5. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
    VERENIGING VAN SAMENWERKENDE NEDERLANDSE UNIVERSITEITEN, gevestigd te Utrecht,

  6. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDSE FEDERATIE VAN UNIVERSITAIR MEDISCHE CENTRA,

gevestigd te Utrecht,

7. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

WERKGEVERSVERENIGING ONDERZOEKINSTELLINGEN,

gevestigd te Den Haag,

8. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING HOGESCHOLEN,

gevestigd te Den Haag,

9. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

MBO RAAD,

gevestigd te Woerden,

geïntimeerden sub A,

hierna te noemen: de overheidswerkgevers,
advocaat: mr. M.B. de Witte-van den Haak te Den Haag,

en tegen:

B.

10. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CHRISTELIJKE CENTRALE VAN OVERHEIDS- EN ONDERWIJSPERSONEEL,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

11. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

AMBTENARENCENTRUM ,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

12. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CENTRALE VAN MIDDELBARE EN HOGERE FUNCTIONARISSEN BIJ OVERHEID, ONDERWIJS, BEDRIJVEN EN INSTELLINGEN (CMHF) ,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

geïntimeerden sub B,

hierna te noemen: CCOOP c.s.,

advocaat: mr. drs. H. Aydemir te Utrecht.

1 Het geding

Bij exploot van 8 oktober 2015 is ACOP FNV in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 1 oktober 2015.
In de dagvaarding (met producties) heeft ACOP FNV vijf grieven aangevoerd en haar vordering in hoger beroep geformuleerd. De overheidswerkgevers en CCOOP c.s. hebben bij twee afzonderlijke memories van antwoord (eveneens met producties) de grieven van ACOP FNV bestreden.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, ACOP FNV door mrs. S.F. Sagel en M.B. Kerkhof te Amsterdam, de overheidswerkgevers door mr. M.B. de Witte-van den Haak, CCOOP c.s. door mr. drs. H. Aydemir. De desbetreffende pleitnota's zijn overgelegd.

Op grond van hetgeen partijen ter pleitzitting hebben verklaard, scharen de overheidswerkgevers en de CCOOP c.s. zich - met instemming van ACOP FNV - achter elkaars producties en stellingen, voor zover het tegendeel niet blijkt.

Bij het pleidooi hebben de overheidswerkgevers hun productie 5 gecompleteerd.

Na de pleidooien is arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

De door de rechtbank in haar vonnis onder 2.1-2.13 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit.

2.2

Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. Op 10 juli 2015 is tussen (onderhandelaars van) de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. een onderhandelingsresultaat bereikt over loonruimte voor de publieke sector. Deze afspraken zijn vastgelegd in de "Loonruimte-overeenkomst Publieke Sector 2015 2016" (hierna: "de loonruimte-overeenkomst").

  2. Voorafgaand aan de totstandkoming van de loonruimte-overeenkomst hebben - hierna onder 2.15 nader aan te geven - besprekingen plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de onder a genoemde Ministers, de overheidswerkgevers en de vakcentrales voor overheidspersoneel, te weten CCOOP c.s. en ACOP FNV. De besprekingen zijn - zij het aanvankelijk in klein verband - aangevangen op of omstreeks 28 mei 2015 en hadden aanvankelijk een verkennend, vertrouwelijk en informeel karakter. Van de besprekingen zijn vanwege het karakter daarvan geen notulen gemaakt.

  3. Tot in de loop van 8 of 9 juli 2015 heeft ACOP FNV - de wat betreft het aantal leden grootste vakcentrale voor overheidspersoneel - aan de besprekingen deelgenomen. Daarna heeft ACOP FNV haar deelname aan de besprekingen gestaakt.

  4. In een e-mail van 9 juli 2015 te 21.20 uur (productie 5 bij de memorie van antwoord van de overheidswerkgevers) heeft ACOP FNV redenen genoemd voor haar beslissing om af te haken.

  5. De onderhandelaars van CCOOP c.s. zijn elk de loonruimte-overeenkomst aangegaan onder de voorwaarde dat de meerderheid van hun leden met dat akkoord konden instemmen. Die voorwaarde is op 31 augustus 2015 vervuld.

  6. De loonruimte-overeenkomst strekt tot verhoging van het loon van overheidspersoneel per 1 september 2015 en 1 januari 2016. Los van een eenmalige betaling van € 500,- in 2015 gaat het om:

  • -

    i) loonsverhogingen van 2,85% (2015: 1,25%, 2016: 1,6%) ten laste van het Rijk,

  • -

    ii) de gevolgen van verlaging van ABP-premie van 2,2% (2015: 0,8%, 2016: 1,4%).

De loonruimte-overeenkomst beoogt de verlaging van de ABP-premie te bewerkstelligen door:

(ii.a) de pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 4 Wet Privatisering ABP (verder: de

Pensioenovereenkomst ABP) zodanig te wijzigen dat de loonindexatie per 1 januari

2016 wordt vervangen door prijsindexatie;

(ii.b) de structurele premieopslagen, welke zijn bestemd om de financiële positie van het

ABP te herstellen, te laten vervallen.

In de loonruimte-overeenkomst staat daarover onder meer: "Partijen komen daarom overeen om tot 1 januari 2021 in het pensioenreglement op te nemen dat er geen premieopslagen geheven worden. Het ABP-bestuur zal op basis van deze bindende afspraak zijn herstelbeleid moeten herzien.".

In de loonruimte-overeenkomst staat verder onder meer: "De hier gemaakte afspraken zijn bindend voor de betreffende sectorale cao-tafels, tenzij sociale partners aan de sectorale tafels gezamenlijk besluiten tot een andere besteding." en "Partijen spreken tot slot af dat de overeengekomen maatregelen door hun vertegenwoordigers in de Pensioenkamer één op één bekrachtigd zullen worden in de pensioenregeling.”.

Op verzoek van ACOP FNV is de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (verder: ROP) op 19 augustus 2015 bijeengekomen. ACOP FNV heeft in die vergadering - verkort weergegeven - het standpunt ingenomen dat het onderwerp van de loonruimte-overeenkomst tot de bevoegdheid van de ROP behoort en dat over dat onderwerp alsnog open en reëel overleg moet worden gevoerd. In die vergadering van 19 augustus 2015 is geen afspraak gemaakt.
In de notulen staat onder meer:
"Hiermee is volgens de voorzitter agendapunt 4 aan de orde.
Loonruimte-akkoord in relatie tot:

Bevoegde ‘tafels’

b. Meerderheidsvereiste

Hierbij verwijst de voorzitter naar het Reglement van Orde van de ROP en naar hetgeen

eerder in deze vergadering is gesteld, dat pensioen gerelateerde onderwerpen worden

besproken in de Pensioenkamer, conform bestaande afspraken die al jaren worden

gevolgd. Afspraken over salarisontwikkeling dienen aan de cao-tafel te worden

bestendigd. Dat is niet anders dan anders. Hier heeft de ROP geen rol in, evenmin als

de ROP daar de afgelopen dertien jaar een rol in heeft gespeeld. Deze constatering doet

zij als voorzitter van de ROP. Zij constateert dat de sectorwerkgevers en de

vertegenwoordigers van de drie andere centrales (hof: CCOOP c.s.) dezelfde mening zijn toegedaan, omdat er van die zijde instemmend wordt geknikt."

De Pensioenkamer van de genoemde Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (verder: de Pensioenkamer) heeft op 3 september 2015 besloten de in de loonruimte-overeenkomst gemaakte pensioenafspraken in de volgende zin te formaliseren:

"Op basis van bovenstaande zijn partijen in de Pensioenkamer op 3 september 2015 overeengekomen de pensioenovereenkomst als volgt te wijzigen:

Overgang op prijsindexatie

Vanaf 1 januari 2016 wordt het pensioen van actieven, inactieven, post-actieven, nabestaanden en arbeidsongeschikten voor de middelloonregeling geïndexeerd op basis van prijsontwikkeling.

Aangehouden wordt het peil van de prijzen op 1 september van enig jaar ten opzichte van 1 september van het daaraan voorafgaande jaar, volgens de opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek van het Consumentenprijsindexcijfer (CPI) voor alle huishoudens. Indexatie blijft voorwaardelijk en afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. Het na-indexeren blijft onderdeel van de indexatie-ambitie. De indexatie-achterstand tot 1 januari 2016 blijft gebaseerd op de loonontwikkeling.

Artikel 6 van de pensioenovereenkomst moet worden aangepast aan deze afspraak. Het voorstel is om in de technische werkgroep van de Pensioenkamer een tekstvoorstel voor te bereiden en deze zo snel mogelijk maar uiterlijk in de vergadering van de Pensioenkamer in oktober ter accordering voor te leggen.

Premieopslag en kostendekkende premie

Partijen spreken af dat tot 1 januari 2021 structurele premieopslagen geen onderdeel zijn van de pensioenregeling. Mocht zich onverhoopt de situatie voordoen dat ABP genoodzaakt wordt de opgebouwde pensioenaanspraken en ingegane pensioenen te korten, dan zullen partijen in open en reëel overleg de mogelijkheid van incidentele premieopslagen bezien, te financieren uit de dan beschikbare arbeidsvoorwaardenruimte.

De pensioenpremie dient kostendekkend te worden vastgesteld. In lijn met de bestendige praktijk van ABP betekent dit demping van de premie op basis van het maximale verwachtingsrendement zoals vastgesteld door de commissie parameters. Vanaf 1 januari 2016 dient in de premie rekening te worden gehouden met de toeslagverlening uitgaande van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer.

De vormgeving van het financiële beleid, inclusief herstelplan, is primair een verantwoordelijkheid van het ABP-bestuur. De afspraken gemaakt tussen sociale partners vormen de basis voor de vastlegging van het financiële beleid door het bestuur. Gelijktijdig met de aanpassing van de pensioenovereenkomst wordt het ABP-bestuur schriftelijk verzocht om deze financiële afspraken door te voeren en vast te leggen in de fondsdocumenten op een wijze dat opdracht en opdrachtaanvaarding helder geregeld zijn.

Het besluit van de Pensioenkamer had de steun van de vertegenwoordigde werkgevers en de meerderheid van de vertegenwoordigde werknemersorganisaties (zijnde CCOOP c.s.). ACOP FNV heeft niet aan de besluitvorming in de Pensioenkamer deelgenomen, doch is als toehoorder tijdens de vergadering aanwezig geweest.

Blijkens de aan de Pensioenkamer gerichte notitie van het ABP van 28 september 2015 heeft het ABP aangegeven de uitspraak van de Pensioenkamer omtrent de structurele premieopslagen op te vatten als een dringend verzoek aan het ABP om het financieel beleid vanaf 1 januari 2016 vorm te geven conform de afspraken tussen de sociale partners, maar dat daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur van het ABP voor een beheerste en integere bedrijfsvoering (productie A bij memorie van grieven).

Voorafgaand aan de vergadering van de Pensioenkamer hebben de advocaten van ACOP FNV bij brief van 2 september 2015 aan overheidswerkgevers en CCOOP c.s. onder meer geschreven dat alsnog open en reëel overleg binnen de ROP zal moeten plaatsvinden. Aan de op dat standpunt gebaseerde sommaties is door de geadresseerden geen gevolg gegeven. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties antwoordt bij brief van 2 september 2015 onder meer dat de Regeling overleg ROP op de loonruimte-overeenkomst niet van toepassing is en "De afspraken uit deze overeenkomst zijn onderwerp van overleg tussen sociale partners in de pensioenkamers en aan de sectortafels. Als ik tegemoet kom aan uw sommatie schend ik de (proces)afspraken die ik met partijen heb gemaakt.".
Namens de leden van de ROP wordt bij brief van 3 september 2015 in gelijke zin geantwoord, onder meer: "Tijdens de gesprekken over de loonruimte-overeenkomst is namelijk steeds uitgegaan van open en reëel overleg. De ACOP FNV is vanaf het begin af bij deze gesprekken intensief betrokken geweest. Sociale partners in de ROP (behalve de ACOP FNV) hebben tijdens de vergadering van 19 augustus jongstleden aangegeven zich gebonden te achten aan de afspraken uit de loonruimte-overeenkomst. " en "Wij merken op dat het primair aan de sociale partners uit de Pensioenkamer is om te bepalen of zij voldoende open en reëel overleg kunnen voeren om tot een akkoord te komen. Zowel de overheidswerkgevers als de drie centrales van overheidspersoneel hebben hier vertrouwen in"

2.3

Bij inleidende dagvaarding heeft ACOP FNV - verkort weergegeven - gevorderd:

  1. de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales te veroordelen om in de eerstvolgende vergadering van de Pensioenkamer het op 3 september 2015 genomen besluit tot bekrachtiging van de pensioenafspraken uit de loonruimte-overeenkomst in te trekken;

  2. de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. te gebieden om (i) geen verdere uitvoering te geven aan het op 3 september 2015 door de Pensioenkamer genomen besluit tot bekrachtiging van de pensioenafspraken uit de loonruimte-overeenkomst en (ii) alle eventuele uitvoeringshandelingen ter zake ongedaan te maken;

  3. te bepalen dat de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. ingeval van overtreding van voormelde veroordeling en/of voormeld gebod een dwangsom verbeuren.

2.4

De rechtbank heeft bij het vonnis van 1 oktober 2015 de vordering afgewezen en ACOP FNV in de kosten van het geding veroordeeld.

2.5

ACOP FNV wenst dat haar vordering in hoger beroep alsnog wordt toegewezen. Zij heeft tevens subsidiair gevorderd dat het hof een zodanige voorlopige voorziening zal treffen als het hof in goede justitie vermeent te moeten treffen.

2.6

ACOP FNV legt - tot de kern teruggebracht - aan haar vordering ten grondslag dat het besluit van de Pensioenkamer van 3 september 2015 een gebrek heeft en daarmee jegens haar onrechtmatig is, omdat de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. niet het vereiste open en reële overleg met ACOP FNV in de Pensioenkamer hebben gevoerd.

De andere partijen verweren zich tegen deze vordering.

2.7

De grieven nopen tot beantwoording van de vraag of de vordering van ACOP FNV een deugdelijke grondslag heeft. Hetgeen het hof daartoe overweegt heeft het in artikel 257 Rv bedoelde voorlopige karakter.

voor de effectuering van het loonruimte-overeenkomst is een besluit van de Pensioenkamer vereist

2.8

Voor de effectuering van hetgeen met de loonruimte-overeenkomst op het onderdeel van de pensioenen werd beoogd (in elk geval wat betreft de indexering) is besluitvorming door de Pensioenkamer vereist.

Partijen zijn het daar in deze procedure over eens.

De bevoegdheid van de Pensioenkamer berust op:

  • -

    artikel 4, lid 3, van de Wet privatisering ABP: "De meerderheid van de sectorwerkgevers en de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, zijn na 1 januari 1997 bevoegd tot het wijzigen of vervangen van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst (hof: de Pensioenovereenkomst ABP, waarin de aanspraken ter zake van pensioenen zijn geregeld).";

  • -

    artikel 3, lid 4, van de Pensioenovereenkomst ABP: "4. Een besluit tot wijziging van de pensioenregeling kan worden genomen door de meerderheid van de sectorwerkgevers en de meerderheid van de centrales. Op welke wijze de meerderheid tot stand komt bij de sectorwerkgevers respectievelijk de centrales is vastgelegd in een convenant.";

  • -

    artikel 5, lid 3, van de Overeenkomst inzake de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP): "De Raad heeft de volgende taken: (…) d. het onderhandelen over het wijzigen of vervangen van de pensioenovereenkomst, zoals bepaald in artikel 4, derde lid, van de wet Privatisering ABP";

  • -

    een besluit van de ROP tot mandatering aan de Pensioenkamer van: "het in behandeling nemen van alle pensioenaangelegenheden en het plegen van besluitvorming terzake".

2.9

Voor de besluitvorming door de Pensioenkamer gelden onder meer:

  • -

    het Reglement van Orde van de ROP (productie 7 van de overheidswerkgevers in de eerste instantie);

  • -

    een convenant van 7 mei 1996 waarbij de samenwerkende centrales van overheidspersoneel (SCO) zijn overeengekomen dat van een meerderheidsstandpunt van de centrales slechts kan worden gesproken indien is voldaan aan één van de volgende voorwaarden: indien het standpunt wordt gedragen door drie of vier centrales of, indien het standpunt wordt gedragen door twee van de genoemde centrales, waarvan één de centrale van de ACOP is (productie 5 van de overheidswerkgevers in de eerste instantie);

  • -

    algemene rechtsregels voor collectieve besluitvorming als de onderhavige.

2.10

De wetsbepalingen, rechtsregels en rechtsbeginselen die op de inhoud van de besluiten van de Pensioenkamer van toepassing zijn, zoals mogelijk artikel 10 van de Wet privatisering ABP betreffende de indexatie van reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen en de regels betreffende het toezicht op pensioenfondsen, spelen in deze zaak geen rol, aangezien het onderhavige geschil is beperkt tot de wijze van totstandkoming van het genoemde besluit van de Pensioenkamer.

2.11

Partijen zijn het er - naar het oordeel van het hof terecht - over eens dat voor de besluitvorming door de Pensioenkamer open en reëel overleg is vereist, zijnde overleg, waarvan de uitkomst bij geen der partijen bij voorbaat mag vaststaan, terwijl het streven van alle partijen er ook op moet zijn gericht om door middel van dialoog tot overeenstemming te geraken en waarbij verwacht mag worden dat partijen met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening houden.

2.12

Het vereiste van open en reëel overleg impliceert dat de deelnemers aan de besluitvorming van de Pensioenkamer jegens elkaar de plicht hebben om dergelijk overleg te voeren en dat schending van die verplichting door één of meer deelnemers ten opzichte van één of meer andere deelnemers in beginsel onrechtmatig is.

beantwoording van de vraag of de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. het recht van ACOP FNV op open en reëel overleg hebben geschonden

2.13

De stelling van ACOP FNV dat met haar het vereiste open en reëel overleg niet (in de Pensioenkamer) is gevoerd, hebben de andere partijen bestreden. Zij voeren daartoe - verkort weergegeven - aan:

  • -

    i) dat voorafgaand aan de totstandkoming van de loonruimte-overeenkomst dergelijk overleg is gevoerd;

  • -

    ii) voor zover nodig dergelijk overleg kon worden gevoerd in de Pensioenkamer, maar dat ACOP FNV van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

- ad (i): overleg in het kader van de loonruimte-overeenkomst

2.14

De loonruimte-overeenkomst is voortgevloeid uit de behoefte aan met elkaar samenhangende afspraken over loon en pensioen op bovensectoraal niveau. Dit is een deugdelijk motief en rechtvaardigde het streven naar het bereiken van overeenstemming buiten het formele kader van de Pensioenkamer, op basis van welke overeenstemming de hiervoor genoemde wettelijk vereiste besluitvorming in de Pensioenkamer zou plaatsvinden.

2.15

Voor het hof is in dit kort geding voldoende aannemelijk geworden dat met het oog op een te sluiten loonruimte-overeenkomst open en reëel overleg is gevoerd.

Hiertoe wordt meer in het bijzonder het volgende overwogen.

Vast staat dat ACOP FNV vanaf een zeer vroeg stadium bij de besprekingen is betrokken en dat zij is uitgenodigd voor het voeren van overleg met betrekking tot een tot stand te brengen loonruimte-overeenkomst, inclusief afspraken over pensioen, en dat zij aan daarmee samenhangende gesprekken vanaf het begin heeft deelgenomen. Vast staat voorts dat vanaf het begin aan alle deelnemers aan de besprekingen duidelijk was dat deze tot inzet hadden een geïntegreerde aanpak van loon en pensioen. De gesprekken zijn aangevangen als informeel en oriënterend maar hebben in de loop der tijd materieel het karakter van onderhandelingen aangenomen, waarbij concrete tekstvoorstellen zijn uitgewisseld en geamendeerd, ook door ACOP FNV. Ook is door verschillende partijen bij die besprekingen water bij de wijn gedaan. De woordvoerder van het ACOP FNV had weliswaar geen mandaat om te onderhandelen, laat staan om een overeenkomst aan te gaan, hetgeen de andere personen die aan het overleg deelnamen bekend was, maar dit behoefde hem, en heeft hem er niet van (te) weerhouden te onderhandelen onder voorbehoud van het ontbreken van dat mandaat. ACOP FNV heeft de besprekingen op 8 of 9 juli 2015, derhalve in een zeer laat stadium, verlaten, waarna de overige deelnemers op 10 juli 2015 de loonruimte-overeenkomst hebben gesloten. Gesteld noch gebleken is dat ACOP FNV tot het moment van het bereiken van het onderhandelaarsakkoord op 10 juli 2015 niet in de gelegenheid is geweest tegenover de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. in open en reëel overleg haar standpunten, visie en argumenten, met name ook op het gebied van de pensioenen, naar voren te brengen.

2.16

Gesteld noch gebleken is dat ACOP FNV door het ontbreken van notulen, dan wel op andere formele punten die voor het overleg in de Pensioenkamer gelden, in haar belang is geschaad bij het voeren van het overleg in het kader van de totstandkoming van de loonruimte-overeenkomst.

Tijdens het pleidooi is van de kant van ACOP FNV verklaard dat zij het argument, inhoudende dat pas in de fase dat zij niet meer aan de gesprekken omtrent de loonruimte-overeenkomst deelnam, alle overheidswerkgevers bij het overleg zijn betrokken, niet langer handhaaft.

2.17

Hoewel dit overleg niet in de formele setting van de Pensioenkamer is gevoerd, komt het in dezen betekenis toe, aangezien de eerder in dit arrest aangeduide regels voor de besluitvorming door de Pensioenkamer op dit gebied, wel open en reëel overleg eisen, maar niet inhouden dat dergelijk overleg geheel in de formele setting van de Pensioenkamer moet worden gevoerd.

Voor zover buiten de Pensioenkamer door de leden van de Pensioenkamer open en reëel overleg is gevoerd, behoeft dat in beginsel niet in de formele setting van de Pensioenkamer te worden herhaald. Een dergelijke herhaling dient ook geen redelijk doel.

- ad (ii): overleg in de Pensioenkamer

2.18

Het oordeel dat herhaling van het in het kader van de loonruimte-overeenkomst gevoerde overleg binnen de Pensioenkamer niet nodig is, neemt niet weg dat ACOP FNV aanspraak had op open en reëel overleg over eventuele door haar aan te voeren thema's die niet of onvoldoende in het voorafgaande overleg aan de orde waren gekomen.

2.19

Vast staat dat dergelijk nader overleg binnen de formele setting van de Pensioenkamer niet is gevoerd.

2.20

Het hof rekent dat aan ACOP FNV toe, omdat ACOP FNV het overleg binnen de Pensioenkamer zelf onmogelijk heeft gemaakt door daaraan slechts als toehoorder deel te nemen. ACOP FNV voert voor haar stellingname aan dat - kort gezegd - de andere partijen duidelijk hadden gemaakt dat overleg zinloos zou zijn, omdat zij aan de loonruimte-overeenkomst zouden vasthouden.

2.21

Dat van de kant van overheidswerkgevers en CCOOP c.s. uitlatingen zijn gedaan waaruit ACOP FNV in redelijkheid mocht afleiden dat eerstgenoemden niet bereid waren om het onder 2.18 bedoelde overleg met ACOP FNV in het kader van de Pensioenkamer te voeren, is niet voldoende aannemelijk geworden. Hierbij heeft het hof doorslaggevende betekenis toegekend aan het volgende:

  • -

    In de onder 2.2 vermelde brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 september 2015 staat onder meer: "De afspraken uit deze overeenkomst zijn onderwerp van overleg tussen sociale partners in de pensioenkamers (…)".

  • -

    In de eveneens onder 2.2 vermelde brief van de advocaat van CCOOP c.s. van gelijke datum staat onder meer: "Wij merken op dat het primair aan de sociale partners uit de Pensioenkamer is om te bepalen of zij voldoende open en reëel overleg kunnen voeren om tot een akkoord te komen." .

  • -

    Het verslag van de vergadering van de Pensioenkamer van 3 september 2015 (productie 18 van ACOP FNV):

"De heer Van der Ploeg (hof: van ACOP FNV) vult aan dat de inhoud van deze brief betekent dat de

vertegenwoordigers van ACOP/FNV aanwezig zullen zijn als toehoorder, als besloten

wordt deze vergadering te laten doorgaan.

De heer Florijn is van mening dat partijen met elkaar nog steeds in een open en reëel

proces zitten. In het afgelopen SO is gedeeld dat het van belang is om hierin met elkaar

te blijven optrekken en daarbij is helder verwezen naar de ingelaste vergadering van nu.

Spreker verzoekt het overleg doorgang te laten vinden zodat er in een ordentelijk

proces voortgang kan worden geboekt en ook ABP/APG weet waar zij aan toe is.

De heer De Bruin geeft namens de CCOOP en ook namens de CMHF en het AC aan dat

hetgeen nu wordt besproken een verdere uitwerking is van afspraken die sociale

partners in open en reëel overleg hebben gemaakt. Hij spreekt de hoop uit dat de

collega’s van de ACOP/FNV gebruik maken van de mogelijkheid om hun opvattingen

over de inhoudelijke stukken in dit overleg te delen.

De voorzitter stelt hierop vast dat de vergadering zoals gepland doorgang kan vinden.

De positie die door ACOP/FNV is ingenomen, is helder. De vraag is of de

vertegenwoordigers van de ACOP/FNV inderdaad geen op- en aanmerkingen zullen

maken op het inhoudelijke stuk (agendapunt 3) en zo ja, of dat ook geldt voor het

verslag. De heer Van der Ploeg beaamt dat dit ook geldt voor de vaststelling van het

verslag. Spreker vraagt gezien de laatste opmerking van de heer De Bruin inzake de

hoop op inbreng van de ACOP, of dit betekent dat de drie centrales het

loonruimteakkoord niet één op één door gaan vertalen. De heer De Bruin reageert met

de opmerking dat hij veel waarde hecht aan de opvattingen van de ACOP/ENV en erg

benieuwd is naar hun inhoudelijke opvattingen over de voorstellen die nu ter tafel

liggen. Op het moment dat hij die opvattingen hoort zal hij zijn inhoudelijke reactie

daarop geven. Vooraf ziet de heer De Bruin geen inhoudelijke argumenten op tafel

liggen om anders dan voorgesteld, de boven sectorale afspraken te vertalen in de

afspraken die in de Pensioenkamer zijn voorgesteld. Spreker laat zich evenwel graag

verrassen. Gezien het antwoord van de heer De Bruin is het de heer Van der Ploeg

volstrekt helder dat de drie centrales het loonruimteakkoord één op één zullen door

vertalen.

De heer Florijn deelt mede dit te betreuren en neemt namens VSO kennis van de houding van ACOP/FNV zoals hier gedebiteerd.

De voorzitter stelt hierop vast dat er geen belemmering is om de vergadering te laten

doorgaan."

2.22

Uitlatingen waaruit ACOP FNV - ondanks het voorafgaande - heeft mogen afleiden dat de overige partijen niet bereid waren tot nader open en reëel overleg in de Pensioenkamer, zijn niet aannemelijk geworden. Voor een nader onderzoek daarvan leent een kort geding zich niet, op welke grond aan het bewijsaanbod van ACOP FNV voorbij wordt gegaan.

2.23

Ook uit de bepaling van de loonruimte-overeenkomst die luidt: "Partijen spreken tot slot af dat de overeengekomen maatregelen door hun vertegenwoordigers in de Pensioenkamer één op één bekrachtigd zullen worden in de pensioenregeling.", volgt niet dat ACOP FNV mocht menen dat de andere partijen ongeacht de inbreng van ACOP FNV in de Pensioenkamer tot bekrachtiging van de desbetreffende afspraken in de loonruimte-overeenkomst zouden overgaan. Uit het voorafgaande (zie 2.21) moet het ACOP FNV immers zijn gebleken dat partijen de geciteerde bepaling - die geheel of gedeeltelijk uit de koker van ACOP FNV kwam en bedoeld was voor het geval alle leden van de Pensioenkamer partij bij de loonruimte-overeenkomst zouden zijn -, niet zo zouden toepassen en kennelijk niet zo interpreteerden dat de besluitvorming uitsluitend een technische formaliteit behelsde.

2.24

Daarbij komt dat niet is gesteld of gebleken dat ACOP FNV in de periode nadat de loonruimte-overeenkomst was gesloten, niet de mogelijkheid heeft gehad om haar bezwaren en argumenten tegen de daarin neergelegde afspraken onder de aandacht van de andere overlegpartners te brengen, noch in de periode waarin de achterbanraadplegingen door haar collega-vakcentrales plaatsvonden, noch in de aanloop naar of tijdens de bijeenkomst van de Pensioenkamer op 3 september 2015. Ook om deze reden kan ACOP FNV de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. nu niet verwijten dat er geen open en reëel overleg binnen de Pensioenkamer heeft plaatsgevonden

2.25

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is om te oordelen dat de overheidswerkgevers en/of CCOOP c.s. hun verplichting tot het voeren van open en reëel overleg hebben geschonden en zij onrechtmatig hebben gehandeld door zich op 3 september 2015 in de Pensioenkamer voor het aangeduide besluit uit te spreken en vervolgens uitvoering aan dat besluit te geven.

voorts

2.26

Voor het geval ACOP FNV in deze procedure nog het standpunt inneemt dat het besluit van de Pensioenkamer de vereiste meerderheid ontbeert, omdat ACOP FNV als grootste vakcentrale voor overheidspersoneel tegen het aangenomen voorstel is, wordt overwogen dat dat standpunt, gelet op het onder 2.9 vermelde convenant, onjuist is.

2.27

Nu het door ACOP FNV gestelde grondrecht op onderhandeling geen meeromvattende inhoud heeft dan het hiervoor besproken recht op onderhandeling (c.q. op open en reëel overleg), behoeft de stelling van ACOP FNV dat dit grondrecht is geschonden, na het voorgaande geen nadere bespreking.

2.28

ACOP FNV heeft blijkens hetgeen zij bij het pleidooi heeft verklaard, het standpunt dat de loonruimte-overeenkomst voorwerp van overleg in ROP (de mandaatgever van de Pensioenkamer) had moeten zijn, niet langer als grondslag van haar vorderingen gehandhaafd.

slotsom

2.29

De conclusie is dat de vorderingen van ACOP FNV niet toewijsbaar zijn.

2.30

Voor het overige behoeven de grieven en het verweer van de overheidswerkgevers en CCOOP c.s. bij gebrek aan belang geen bespreking.

2.31

Het vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van ACOP FNV, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders dan in de eerste instantie gevorderde;

veroordeelt ACOP FNV in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden worden bepaald als volgt:

  • -

    aan de zijde van overheidswerkgevers op € 711,- aan griffierecht en op € 2.682,- (tarief II, 3 punten) aan salaris voor de advocaat;

  • -

    aan de zijde van CCOOP c.s. op eveneens € 711,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, H.M. Wattendorff en J.H.W. de Planque, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.