De rechtbank
4. De rechtbank overweegt:
"(…)
7. In geschil is of [belanghebbende] ondernemer is voor de omzetbelasting.
8. [ Belanghebbende] stelt onder verwijzing naar artikel 9 van de BTW-richtlijn 2006/112 (hierna: de Richtlijn) dat uit de aard van de door hem ingekochte goederen voortvloeit dat hij deze goederen niet voor zichzelf houdt, maar voor de handel en dat hij dus handelaar is en als zodanig economische activiteiten verricht. Het motief voor de aanschaf van de goederen is daarom niet van belang. Subsidiair stelt [belanghebbende] dat ook de bijzondere regeling inzake beleggingsgoud, als opgenomen in hoofdstuk 5 van de Richtlijn en afdeling 6 van de Wet (de regeling beleggingsgoud), met zich brengt dat hij belastingplichtig is voor de omzetbelasting. Meer subsidiair is [belanghebbende] van mening dat het niet aanmerken als ondernemer voor de omzetbelasting in strijd is met artikel 1 van de Richtlijn en het neutraliteitsbeginsel, omdat in zijn geval geen sprake is van eindverbruik. Het neutraliteitsbeginsel brengt met zich dat daar waar geen verbruik plaatsvindt effectief ook geen heffing plaatsvindt, zodat ter neutralisering teruggaaf dient te worden verleend. [Belanghebbende] concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot teruggaaf van omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal van 2012.
9. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat geen objectieve gegevens zijn overgelegd die de verklaring van [belanghebbende] dat hij ondernemer is voor de omzetbelasting ondersteunen. Volgens [de Inspecteur] is niet gebleken dat [belanghebbende] naar buiten optreedt. De enkele inkoop van zilver maakt niet dat sprake is van het verrichten van economische activiteiten. Het ondernemerschap moet worden getoetst aan artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) in samenhang met artikel 9 van de Richtlijn, de regeling beleggingsgoud kent niet een eigen ondernemersbegrip respectievelijk een eigen invulling van het begrip economische activiteiten. Volgens [de Inspecteur] is sprake van louter vermogensbeheer. [De Inspecteur] concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
11. De rechtbank stelt voorop dat zij de vraag of [belanghebbende] ondernemer is voor de omzetbelasting toetst naar het moment waarop het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is ingediend.
12. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Het tweede lid van artikel 7 bepaalt dat waar in deze wet wordt gesproken over bedrijf daaronder mede wordt verstaan a) beroep en b) exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
13. Artikel 9, eerste lid, van de Richtlijn bepaalt dat als 'belastingplichtige' wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Als 'economische activiteit' worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
14. Niet is in geschil dat [belanghebbende] niet als handelaar naar buiten optreedt en zich niet als zodanig profileert. Evenmin is in geschil dat [belanghebbende] in onderhavige tijdvakken geen goederen heeft verkocht of diensten tegen vergoeding heeft verricht.
15. Nu [belanghebbende] vooraftrek claimt, rust op hem de last te bewijzen dat hij ondernemer is. Meer in het bijzonder dient hij te bewijzen dat hij, zoals hij stelt, handelaar is en als zodanig economische activiteiten verricht. [Belanghebbende] is daarin met de enkele verwijzing naar de aard van het goed en de door hem bij zijn aangifte over het eerste kwartaal van 2012 overgelegde facturen, niet geslaagd. Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) van 4 december 1990, C-186/89, Eurlex 61989CJ0186 (Van Tiem), is pas sprake van economische activiteiten wanneer het gaat om werkzaamheden die er op zijn gericht duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Nu in het voorliggende geval, naast de inkoop van de goederen, geen sprake is van enige werkzaamheid heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van economische activiteiten. De rechtbank volgt [belanghebbende] niet in zijn stelling dat de aard van de goederen op zichzelf reeds meebrengt dat de inkoop daarvan moet worden aangemerkt als een werkzaamheid van een handelaar en daarmee als een economische activiteit in de zin van artikel 9 van de Richtlijn. Het is immers niet ongebruikelijk dat personen zilver (of andere edelmetalen) ter belegging aankopen en onder zich houden. Ook komt het voor dat personen er de voorkeur aan geven hun vermogen in edelmetalen om te zetten om aldus dat vermogen buiten het zicht van fiscus te houden of, zoals de gemachtigde zelf ter zitting verklaarde, lastige vragen van de bank te vermijden.
16. De rechtbank is voorts van oordeel dat [de Inspecteur] zich terecht op het standpunt stelt dat uit het arrest van het HvJ van 14 februari 1985, nr. 268/83, Eurlex 61983CJ0268 (Rompelman) volgt dat [belanghebbendes] wilsverklaring, zoals die blijkt uit het formulier en de in de aangiften over onderhavige tijdvakken vervatte verzoeken om teruggaaf van voorbelasting, door objectieve gegevens moet worden ondersteund. Van zodanige gegevens is de rechtbank niet gebleken. De door [belanghebbende] bij zijn aangifte over het eerste kwartaal van 2012 gevoegde facturen kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Aan de in beroep overgelegde facturen waaruit blijkt dat [belanghebbende] in december 2013 en januari 2014 daadwerkelijk een deel van zijn zilver heeft verkocht, kent de rechtbank niet de betekenis toe, welke [belanghebbende] kennelijk daaraan verbonden wil zien, reeds gezien het tijdsverloop tussen onderhavig toetsmoment en die verkopen. Deze verkopen betreffen verder naar het oordeel van de rechtbank slechts de uitoefening van het eigendomsrecht wat ingevolge de arresten van het HvJ van 20 juni 1996, C-155/94, Eurlex 61994CJ0155 (Welcome Trust Ltd) en van 29 april 2004, C-77/01, Eurlex 62001CJ0077 (EDM) niet als economische activiteit kan worden beschouwd. De stelling van [belanghebbende] dat Welcome Trust Ltd in onderhavig geval niet van toepassing is omdat in die zaak sprake was van aandelenbezit, terwijl het in onderhavige zaak om eigendom van een fysiek goed gaat, volgt de rechtbank niet. Hetgeen in het Welcome Trust Ltd is vastgesteld, geldt naar het oordeel van de rechtbank voor een eigendomsrecht in het algemeen, ongeacht het voorwerp waarop dat eigendom ziet. De rechtbank wijst in dit verband ook op het arrest van het HvJ van 15 september 2011, C‑180/10, Eurlex 62010CJ0180 (Slaby en Kuc) waarin het ging om de uitoefening van eigendomsrechten ten aanzien van een onroerende zaak.
17. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat hij in onderhavige tijdvakken op grond van artikel 7 van de Wet moet worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting.
18. De rechtbank volgt [belanghebbende] evenmin in zijn subsidiaire standpunt dat uit de regeling beleggingsgoud volgt dat hij als ondernemer moet worden aangemerkt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in onderhavige tijdvakken uitsluitend sprake is geweest van de inkoop van zilver waarop de regeling beleggingsgoud niet van toepassing is. Met het enkel overleggen van een pakbon betreffende de aankoop van beleggingsgoud in juli 2010 heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat daarbij reeds sprake was van ondernemerschap en/of een beroep kon worden gedaan op de regeling beleggingsgoud en dat dit vervolgens doorwerkt in onderhavige tijdvakken. De rechtbank ziet overigens in de regeling beleggingsgoud geen aanwijzing dat de enkele aankoop van beleggingsgoud op zichzelf, in afwijking van dan wel in aanvulling op artikel 7 van de Wet respectievelijk artikel 9 van de Verordening, leidt tot ondernemerschap. Anders dan [belanghebbende] meent, kan niet iedere koper van beleggingsgoud reeds daardoor als belastingplichtige voor de omzetbelasting worden aangemerkt.
19. [ Belanghebbendes] stelling dat geen sprake is van verbruik en dat hij daarom heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting, volgt de rechtbank niet. Bij het onder zich houden van zilver onderscheidt [belanghebbende] zich naar het oordeel van de rechtbank niet van de particulier die in het kader van normaal vermogensbeheer (andere) waardevolle (onroerende) goederen onder zich houdt.
20. Ter zitting heeft [belanghebbende] nog gesteld dat hij op grond van het feit dat de aangiften zijn uitgereikt er op mocht vertrouwen dat [de Inspecteur] hem als ondernemer had aangemerkt. Met het indienen van het formulier en de daarbij behorende brief heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank tevens verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten. Aangezien een belanghebbende alleen door het doen van aangifte een rechtsingang kan verkrijgen voor de beoordeling van de vraag of hij ondernemer is, dient de inspecteur een dergelijk verzoek te honoreren (zie ook Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2799). Het op verzoek uitreiken van aangiftebiljetten betekent op zichzelf dan ook niet dat de inspecteur van oordeel is dat de betrokkene ondernemer is voor de omzetbelasting. [Belanghebbende] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan hij kon en mocht menen dat [de Inspecteur] hem op enig moment als zodanig aanmerkte. Uit de stukken van het geding blijkt juist, in tegendeel, dat [de Inspecteur] in de correspondentie die aan het uitreiken van de aangiftebiljetten vooraf ging, steeds heeft verklaard dat hij [belanghebbende] op basis van de op dat moment beschikbare gegevens niet als btw-ondernemer aanmerkte en dat hij de in te dienen aangiften zal beoordelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)"