Vaststaande feiten
In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:
3.1.
Aan belanghebbende zijn in het jaar 2013 door zijn werkgever twee auto's ter beschikking gesteld: van 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 een Audi met kenteken
[A] (hierna: auto 1) en van 29 april 2013 tot en met 31 december 2013 een Volkswagen met kenteken [B] (hierna: auto 2).
3.2.
Op 4 november 2010 heeft de Inspecteur op verzoek van belanghebbende een ‘verklaring geen privégebruik auto’ (hierna: de verklaring) zoals bedoeld in de artikel 13bis van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) afgegeven.
3.3.
Over de periode 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 heeft belanghebbende een sluitende rittenadministratie bijgehouden voor auto 1, waaruit blijkt dat hij met die auto gedurende die periode in totaal 41 privékilometers heeft gereden.
3.4.
Op 18 mei 2013 heeft belanghebbende een wijziging van het kenteken doorgegeven en de verklaring ingetrokken omdat hij vanaf 29 april 2013 naar verwachting meer dan 500
privékilometers met auto 2 zou gaan rijden. Naar aanleiding van deze intrekking heeft
de Inspecteur aan belanghebbende de naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd met inachtneming van de cataloguswaarde van auto 1.
3.5.
Bij brief van 29 december 2014 heeft belanghebbende een verklaring van zijn werkgever gevoegd die luidt als volgt:
"Hierbij verklaar ik, [werkgever], op verzoek van mijn werknemer, [belanghebbende], dat met hem is overeengekomen om in de periode van 12 december 2011 tot en met 29 april 2013 de aan de vennootschap toebehorende bedrijfsauto Audi A4, kenteken [A] uitsluitend voor zakelijke doeleinden te gebruiken, en dat het [belanghebbende] derhalve in die periode verboden is geweest om met deze Audi tevens privéritten te maken.
Deze verklaring is afgelegd in verband met de door [belanghebbende] tegen de Belastingdienst aangespannen procedure over het gebruik van deze Audi."
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:
"8. Artikel 13bis, eerste, vierde en zestiende lid, Wet LB (tekst 2013) luiden voor zover
hier van belang als volgt:
1. 'Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel
op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:
a. 25% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het
eerst in gebruik is genomen; (. . .)
De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn
gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor
privé-doeleinden wordt gebruikt.
4. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor
niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel
gesteld op nihil.
16. Indien de verklaring geen privé-gebruik wordt ingetrokken (. . .) wordt de verschuldigde
belasting (. .. ) nageheven van de werknemer. (. . .)’
9. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat auto 1 hem niet ter beschikking is gesteld in de zin van artikel13bis Wet LB omdat de werkgever en eiser hebben afgesproken dat met de auto geen privé-kilometers worden gereden. De autokostenfictie geldt voor een auto die aan een werknemer ter beschikking is gesteld. Onder terbeschikkingstelling wordt verstaan het mogen gebruiken van een auto voor zakelijke doeleinden, (inclusief woon-werkverkeer), waarbij normaliter alle kosten, lasten en afschrijvingen voor rekening komen van degene die de auto ter beschikking stelt (Kamerstukken, 26.727, nr. 3 p. 185). Dit volgt ook uit vaste jurisprudentie waarin is bepaald dat een auto ter beschikking is gesteld zodra een werknemer voor het werk en voor het woon-werkverkeer gebruik kan maken van een auto van de werkgever (HR 26 april 1995, nr. 30.293, ECLI:NL:HR:1995:ZC5946). De Hoge Raad oordeelde bovendien (rechtsoverweging 3.1) dat de omstandigheid dat de werknemer de auto niet voor privédoeleinden mag gebruiken, geen rol speelt bij de vraag of aan de werknemer een auto ter beschikking is gesteld, maar dat die omstandigheid van belang kan zijn bij de zogenaamde tegenbewijsmogelijk in welke mate privégebruik feitelijk al dan niet aanwezig is. Het oordeel van de Hoge Raad is ook onder de huidige wetgeving IB 2001 nog immer van belang, aangezien de wetgeving op dit punt niet is gewijzigd. Aangezien in het onderhavige geval niet in geschil is dat de werkgever de auto voor zakelijke ritten en woon/werkverkeer aan eiser ter beschikking heeft gesteld is daarmee sprake van het ter beschikking stellen van de auto in de zin van artikel 13bis, eerste lid Wet LB. De omstandigheid dat eiser de auto niet privé mocht gebruiken, doet daar - gezien het oordeel van de Hoge Raad - niet aan af.
10. De rechtbank sluit zich niet aan bij de door eiser bepleite grammaticale interpretatiemethode van de wet waaruit zou volgen dat bij opvolgend gebruik afzonderlijk moet worden getoetst of sprake is van privégebruik. De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 december 1997, nr. 33.005, ECLI:NL:HR:1997:AA3332, beslist dat als aan een belastingplichtige gedurende een kalenderjaar meer dan een auto ter beschikking is gesteld, de kilometergrens niettemin op jaarbasis geldt, dus niet per auto. Ook dit oordeel van de Hoge Raad is onder de huidige wetgeving van belang, aangezien op dit punt evenmin een wijziging is beoogd. De rechtbank leidt uit dit arrest af dat doel en strekking van de onderwerpelijke regeling is om op eenvoudige wijze vast te stellen welk bedrag ter zake van het privégebruik tot de inkomsten uit arbeid gerekend moeten worden. In een geval als het onderhavige is hierbij doorslaggevend het antwoord op de vraag of is gebleken dat het privégebruik van de achtereenvolgens ter beschikking gestelde auto's tezamen op jaarbasis minder dan 500 kilometer heeft bedragen. In het geval van eiser staat vast dat hij met auto 1 minder dan 500 kilometer en met auto 2 meer dan 500 kilometer heeft gereden, hetgeen ertoe leidt dat de bijtelling ook voor de eerstbedoelde auto moet plaatsvinden. Dit heeft te gelden, zelfs wanneer vast zou staan, dat - anders dan het geval is bij eiser - met de eerstbedoelde auto in het geheel geen privékilometers zijn gereden (Hof Den Bosch 21 maart 2014, nr. 13/00784, ECLI:NL:GHSHE:2014:797).
11. Ook de omstandigheid dat eiser in de betreffende periode over een verklaring beschikte, staat aan voormelde toepassing op kalenderjaarbasis niet in de weg (HR 6 juni 2008, nr. 44.069, ECLI:NL:HR:2008:BD3192). Aan dit oordeel kan niet afdoen dat eiser noch zijn werkgever op de hoogte waren van de consequenties van een tussentijdse wisseling van auto.
12. Nu slechts voor de maanden vanaf 30 april 2013 door de werkgever loonheffingen
zijn ingehouden ter zake van het ter beschikking stellen van de auto, is wat dit betreft te
weinig belasting betaald. Verweerder heeft daarom terecht op de voet van artikel 13bis,
zestiende lid, Wet LB die verschuldigde belasting van eiser nageheven.
13. Met betrekking tot de door eiser bepleite meer moderne wijze van interpreteren
overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen in 10 is overwogen, dat ook dit niet
leidt tot een ander oordeel."
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en A.N. Labohm, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 22 april 2015 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan
binnen zes weken
na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- - de naam en het adres van de indiener;
- - de dagtekening;
- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- - de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.