Het hof oordeelt daaromtrent als volgt.
Het standpunt van de stichting komt erop neer dat de betaling van het bedrag van € 283.595,95 aan de stichting moet worden gekwalificeerd als een voldoening door Air Holland van opeisbare schulden die zij heeft jegens de individuele vliegers, zoals die schulden in het kader van de uitvoering van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst via een overeenkomst met de vliegers dan wel bij vonnis zullen worden vastgesteld.
Voor deze kwalificatie biedt de vaststellingsovereenkomst echter geen grondslag. Weliswaar kan als juist worden aanvaard dat de betaling van het bedrag van € 285.595,95 aan de stichting tot doel had dat met de aldus door de stichting verkregen gelden opeisbare schulden van Air Holland jegens de vliegers zouden worden betaald (en overigens ook een opeisbare schuld jegens VNV wegens ingehouden contributie), maar niet juist is dat reeds op het moment van de betaling van dat bedrag aan de stichting opeisbare schulden van Air Holland jegens de vliegers zijn betaald en teniet gegaan. De vaststellingsovereenkomst biedt immers geen grond om aan te nemen dat de stichting het bedrag van € 285.595,95 in ontvangst heeft genomen als vertegenwoordiger van de gezamenlijke vliegers van Air Holland. De stichting stelt weliswaar dat de vliegers van Air Holland haar “als ontvanger namens hen” hebben aangewezen, maar uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat niet. Het feit dat VNV de stichting mede heeft opgericht (artikel 2 vaststellingsovereenkomst) brengt niet mee dat de stichting daarmee bevoegd werd om de betaling van Air Holland als vertegenwoordiger van de gezamenlijke vliegers van Air Holland in ontvangst te nemen, te meer niet nu die vliegers niet allemaal lid zijn van VNV, zoals de curatoren onweersproken hebben gesteld. Ook voor het overige is niet gebleken dat de gezamenlijke vliegers van Air Holland de stichting op enigerlei wijze hebben gemachtigd, of hebben aangewezen in de zin van artikel 6:116, lid 2 BW, het bedrag van
€ 283.595,95 namens hen in ontvangst te nemen. Evenmin is gebleken dat in verband met de ontvangst van voormeld bedrag door de stichting de vliegers (of de stichting namens de vliegers) kwijting hebben verleend voor de vorderingen van de vliegers op Air Holland. Derhalve kan ook niet worden geconcludeerd dat Air Holland reeds op het moment van de betaling van voormeld bedrag aan de stichting was gekweten jegens de vliegers voor het bedrag dat in het kader van de uitvoering van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst aan de vliegers zou worden uitbetaald. Integendeel, de vaststellingsovereenkomst biedt grond om aan te nemen dat eerst op het moment dat de stichting de schulden van Air Holland aan de vliegers betaalt, Air Holland gekweten is van haar betalingsverplichtingen jegens de vliegers.
De slotsom is dat de betaling door Air Holland op 9 februari 2004 van het bedrag van € 289.595,95 aan de stichting weliswaar tot (eind)doel had dat daarmee de opeisbare schulden van Air Holland aan de vliegers (en aan VNV) werden betaald door de stichting, maar dat die betaling zelf niet een voldoening door Air Holland van die opeisbare schulden vormde. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat Air Holland tot die betaling verplicht was op grond van de individuele arbeidsovereenkomsten met de vliegers of op grond van de CAO tussen VNV en Air Holland. Daarom ook kan het standpunt van de stichting dat de vaststellingsovereenkomst geen verdere strekking had dan om “praktische afspraken” te maken omtrent de wijze waarop Air Holland aan haar bestaande verplichtingen jegens de individuele vliegers zou voldoen, niet worden gevolgd. Dat geldt ook voor de stelling van de stichting (mvg punt 62) dat voor de “constructie” van de stichting slechts is gekozen omdat daarin de betalingsverplichtingen van de latende en de verkrijgende werkgever waren gebundeld waarbij zowel voor VNV als Holland Exel - via hun bestuurderschap van de stichting – was gewaarborgd dat de gelden ook daadwerkelijk op een evenwichtige wijze werden aangewend ter voldoening van de aanspraken van de vliegers. De vaststellingsovereenkomst heeft een verdere strekking, te weten – voor zover hier van belang - te bewerkstelligen dat de door beslag getroffen gelden bij D-Reizen worden betaald aan een rechtspersoon met een afgezonderd vermogen - de stichting - teneinde aldus te waarborgen en de stichting in staat te stellen dat de opeisbare schulden van Air Holland met behulp van – onder meer - deze gelden aan de vliegers (en VNV) werden betaald, zulks ieder overeenkomstig zijn rechten.
Nu Air Holland niet verplicht was een vaststellingsovereenkomst met een dergelijke inhoud aan te gaan heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat sprake is van een rechtshandeling die Air Holland onverplicht heeft verricht in de zin van artikel 42 Fw. Daaruit volgt dat ook de ter uitvoering van die overeenkomst gedane betaling aan de stichting onverplicht is. Grief I in principaal appel faalt dus.