Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
te [Z] , Zwitserland (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 4 februari 2014, nummers AWB 12/6214 en 12/6025, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 345.060, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 92.426 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 592.411. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 32.555.
1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.389.646 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 506.133. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 678.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de in 1.1 en 1.2 genoemde aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraken van 4 februari 2014 met nummers AWB 12/6214 (IB/PVV 2006) en AWB 12/6025 (IB/PVV 2007) gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de aanslagen en de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.
1.6.
Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord prof. dr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. drs. [B] , mr. [C] en drs. ir. [D] . Namens de Inspecteur is verschenen drs. [E] , bijgestaan door mr. [F] en [G] .
1.8.
Het onderhavige beroep is, met instemming van partijen, ter zitting gelijktijdig behandeld met de door belanghebbende ingestelde beroepschriften die bij het Hof bekend zijn onder de nummers 14/00210 tot en met 14/00215. De inhoud van de gewisselde stukken en hetgeen ter zitting is opgemerkt wordt geacht op alle zaken betrekking te hebben tenzij uit de inhoud van die stukken of het zinsverband het tegendeel blijkt.
1.9.
Partijen hebben een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 De vaststaande feiten
2.1
Belanghebbende was in de jaren 2006 en 2007 in dienstbetrekking werkzaam voor [H] BV (hierna: de BV). De BV stelde in 2006 en 2007 aan belanghebbende een personenauto van het merk BMW, type 760 Li Sedan AUT ter beschikking, met kenteken [00-YY-YY] (hierna: de auto). De auto heeft een cataloguswaarde van € 192.937. In de aangiften loonheffing heeft de BV over 2006 en 2007 geen bijtelling voor privégebruik van de auto toegepast. In het door belanghebbende in zijn aangifte vermelde loon is geen bijtelling voor privégebruik begrepen.
2.2
Op 16 mei 2007 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar de aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2002 tot en met 2005, waarvan op 30 november 2010 een concept controlerapport is opgesteld. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft de Inspecteur het privégebruik van de auto in de jaren 2006 en 2007 beoordeeld. De Inspecteur heeft ter zake daarvan correcties op de ingediende aangiften IB/PVV 2006 en 2007 aangebracht en gesteld dat ten onrechte geen bijtelling ter zake van het privégebruik van de auto heeft plaatsgevonden. Hij heeft in 2006 en 2007 een correctie op het belastbare inkomen uit werk en woning aangebracht van 25 percent van de cataloguswaarde van € 192.937, derhalve € 48.234. Daarnaast heeft de Inspecteur voor het jaar 2006 het standpunt ingenomen dat [I] BV, een BV waarvan belanghebbende aanmerkelijkbelanghouder is, een winstuitdeling aan belanghebbende heeft gedaan en het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang met € 92.426 verhoogd.
2.3
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de bijtelling voor privégebruik van de auto te hoog is vastgesteld en beslist dat deze 22 percent in plaats van 25 percent van de cataloguswaarde moet bedragen. Voor het overige heeft de Rechtbank de beroepen verworpen.
3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1
In hoger beroep is nog slechts in geschil of de auto van de BV in 2006 en 2007 aan belanghebbende voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 3.81 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 13bis Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2006 en 2007, hierna: Wet LB). Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2
Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zijn standpunt laten vallen dat belanghebbende in 2006 een winstuitdeling van [I] BV heeft genoten, zodat de correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 92.426 komt te vervallen. Het hoger beroep dat inzake de aanslag IB/PVV 2006, is reeds hierom gegrond.
3.3
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen en beschikkingen heffingsrente.
3.4
De Inspecteur concludeert ter zake van de aanslag IB/PVV 2006 tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot nihil. Ter zake van de aanslag IB/PVV 2007 concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4 Beoordeling van het geschil
4.1
Ingevolge artikel 3.81 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 13bis Wet LB wordt, indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 22 percent van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.
4.2
Niet in geschil is dat de auto aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. Op belanghebbende rust de last overtuigend aan te tonen dat hij zowel in 2006 als in 2007 de auto niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Vaststaat dat belanghebbende geen kilometeradministratie heeft bijgehouden. Belanghebbende heeft evenwel de mogelijkheid het van hem verlangde bewijs op andere wijze te leveren. Hij heeft in dat verband gesteld dat de auto (i) weinig kilometers maakte, (ii) alleen gebruikt werd met chauffeur, (iii) vanwege de omvang niet geschikt was voor privégebruik en (iv) ook zakelijk gebruikt werd door anderen. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat hij over vele andere auto’s beschikte waarin hij graag reed.
4.3
Met hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht heeft hij naar het oordeel van het Hof niet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aangetoond, dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Belanghebbende heeft geen gegevens aangedragen die de in 4.2 genoemde stellingen onderbouwen. Nu belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, volgt uit artikel 13bis Wet LB dat de auto wordt geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de Rechtbank in haar uitspraken de bedragen van de correcties juist heeft vastgesteld.
Slotsom Op grond van het vorenstaande (zie 3.2) is het hoger beroep gegrond.
5 Proceskosten
Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 490, factor 1).
Voor de behandeling van de in 1.8 genoemde beroepschriften heeft het Hof slechts één maal griffierecht geheven. Tot teruggaaf daarvan heeft het Hof reeds gelast in de uitspraak van het Hof met het nummer 14/00210.
6 Beslissing
Het Hof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank inzake de aanslag IB/PVV 2006, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;
-
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2006 ingestelde beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende IB/PVV 2006;
-
vermindert de aanslag IB/PVV 2006 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 339.272, een inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 592.411;
-
vermindert de beschikking heffingsrente met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2006 dienovereenkomstig;
-
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank inzake IB/PVV 2007 en
-
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 980.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 8 september 2015 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (R.F.C. Spek)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 9 september 2015
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: