Geschil over schilderwerk. Klachten over kwaliteit van het werk zijn geen reden voor non-betaling. Na oplevering kan niet meer over duidelijk zichtbare gebreken worden geklaagd.
advocaat: mr. R.J. de Boer, kantoorhoudend te Coevorden,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudend te Paterswolde.
1 Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 22 maart 2011 en 14 juni 2011 van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (verder: de kantonrechter).
2 Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 30 augustus 2011;
- de memorie van grieven (met producties) d.d. 17 januari 2012;
- de memorie van antwoord d.d. 28 mei 2013.
2.2
Vervolgens hebben partijen op 11 juni 2013 de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
De vordering van [appellant] luidt:
"alsdan op nader aan te voeren gronden te horen eis doen een concluderen dat het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen de vonnissen van de Rechtbank Assen d.d. 22 maart 2011 en 14 juni 2011 met het zaaknummer 344256 / CV EXPL 11-867 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerde af t wijzen, althans geïntimeerde in diens vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, een en ander met veroordeling in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van geïntimeerde".
3 Ten aanzien van de feiten
Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.
3.1
[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant], rond september 2010, het buitenschilderwerk gedaan aan diens woning aan de[adres] te [woonplaats 1].
3.2
Nadat de werkzaamheden waren voltooid hebben partijen gezamenlijk het werk geïnspecteerd. [appellant] heeft daarbij opmerkingen gemaakt over schade veroorzaakt door regen. [geïntimeerde] heeft toegezegd die schade te herstellen wanneer het weer en zijn overige werkzaamheden dat toelieten
3.3
[geïntimeerde] heeft [appellant] voor zijn werkzaamheden op 17 oktober 2010 een factuur verzonden voor een totaalbedrag van € 3.887,75 inclusief BTW.
3.4
[appellant] heeft deze nota niet voldaan, noch heeft schriftelijk zijn beklag gedaan over de kwaliteit van het werk.
4 De beslissing in eerste aanleg
4.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg betaling van de factuur, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten gevorderd.
4.2
[appellant] heeft in persoon verweer gevoerd. Hij heeft aangegeven dat, nadat het werk was opgeleverd, hij het met zijn zoon nog eens na heeft gelopen. De kwaliteit van het schilderwerk viel hem toen erg tegen. In de facturen miste hij de toezegging dat het door regen aangetaste verfwerk zou worden hersteld. Volgens [appellant] is hij door [geïntimeerde] bedreigd toen hij weigerde te betalen. Zijn conclusie van antwoord sloot hij met het volgende voorstel:
"Ik betaal de heer [geïntimeerde] wat hem toekomt nadat de schade is hersteld door een andere partij, dat wil zeggen het factuurbedrag van de heer [geïntimeerde] minus de kosten voor herstel door een andere partij".
4.3
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] alleen gerechtigd was om niet over te gaan tot betaling van de gehele nota indien hij schade had geleden die door [geïntimeerde] vergoed moest worden of de overeenkomst op goede gronden deels ontbonden was. Een en ander was volgens de kantonrechter niet aan de orde en hij heeft de eis van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de kosten van de procedure veroordeeld. Volgens de kantonrechter kon [geïntimeerde] zijn verplichting om herstelwerkzaamheden uit te voeren opschorten toen [appellant] zijn betalingsverplichting niet nakwam.
5 De beoordeling van de grieven
5.1
Tegen het tussenvonnis zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hoger beroep tegen dat vonnis zal worden verworpen.
5.2
De grieven, die het eindoordeel van de kantonrechter op alle relevante punten aanvechten, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.3
[appellant] voert op zich terecht aan dat de kantonrechter de mogelijkheden voor opschorting teveel heeft ingeperkt. Behalve met het oog op compensatie met een schadevordering en vooruitlopend op een vordering tot ontbinding kan ee opdrachtgever zijn betalingsverplichting ook opschorten in afwachting van volledige nakoming door de opdrachtnemer. Daarbij bepaalt artikel 6:262 BW dat in geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming opschorting slechts is toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. [appellant] was zich hier in eerste aanleg klaarblijkelijk ook van bewust, aangezien hij heeft aangevoerd dat hij met betaling van 75% van het factuurbedrag op het moment dat de factuur werd verzonden, geen moeite zou hebben gehad, maar zich gegriefd voelde toen hij een factuur voor het volledige bedrag had ontvangen waarin niets stond over het verrichten van herstelwerkzaamheden. Daarna wilde hij helemaal niets meer betalen. Dat laatste standpunt verdraagt zich evenwel niet met artikel 6:262 BW, tweede lid.
5.4
[appellant] heeft zijn, op zich terechte, beroep op de in het hiervoor genoemde artikel 6:262 BW geregelde bijzondere opschortingsbevoegdheid (de exceptio non adimpleti contractus) op een bepaald moment verlaten, toen hij, in plaats van alsnog behoorlijke nakoming door [geïntimeerde], zich op het standpunt stelde dat een andere schilder het werk af zou moeten maken dan wel geheel over zou moeten doen, omdat [geïntimeerde] het niet goed zou hebben gedaan. Het hof merkt de slotconclusie uit de conclusie van antwoord aan als een beroep op partiële ontbinding en schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming.
In appel heeft [appellant] zijn beroep op toerekenbare tekortkoming nog uitgebreid en stelt hij, met een beroep op een partijdeskundige, dat [geïntimeerde] zulk broddelwerk zou hebben geleverd dat het hele schilderwerk over moet en dat daarmee (exclusief materiaal) een bedrag van€ 9.139,20 zou zijn gemoeid. Een (verdergaande) vordering tot ontbinding ligt in appel evenwel niet voor. [appellant] verliest daarbij uit het oog dat een enkel beroep op een mogelijke tekortkoming van de wederpartij hem nog niet van zijn betalingsverplichting doet ontslaan.
5.5
[appellant] gaat er verder ten onrechte aan voorbij dat er een oplevering van het schilderwerk heeft plaatsgevonden en dat hij toen niet geklaagd heeft over andere gebreken dat de regenschade/blaasvorming. Artikel 7:758 BW, derde lid, bepaalt - naar [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd - dat de aannemer (waaronder in dit verband ook de schilder moet worden begrepen) is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Daaronder vallen naar 's hofs oordeel de klachten van [appellant] over het niet schilderen van de binnenkant van deuren en ramen en de andere klachten die hij ter comparitie in eerste aanleg heeft geuit.
5.6
Voor zover er daarnaast nog gebreken zijn waarvoor [geïntimeerde] wel aansprakelijk zou zijn, heeft [geïntimeerde] zich er terecht op beroepen dat nimmer een ingebrekestelling is uitgegaan, gelijk artikel 7:759 BW voorschrijft. Ook daarop strandt het grootste gedeelte van het verweer van [appellant].
5.7
[geïntimeerde] heeft aangegeven dat met het herstel van de blaasvorming/ regenschade een bedrag van ongeveer € 100,- is gemoeid. Dit bedrag is door [appellant] niet expliciet aangevochten, zodat het hof daarvan uit zal gaan. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] met dit bedrag verminderen en in zoverre de overeenkomst als partieel ontbonden aanmerken. Slechts op dit punt treffen de grieven doel.
6 De slotsom
Het hof zal het beroep tegen het tussenvonnis verwerpen en het eindvonnis gedeeltelijk vernietigen, uitsluitend voor zover het hiervoor genoemd bedrag van € 100,- betreft. Voor het overige zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, en [appellant] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in hoger beroep veroordelen, voor wat het geliquideerde salaris van de advocaat betreft te begroten op 1 punt naar tarief I.
7 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwerpt het beroep tegen het tussenvonnis van 22 maart 2011;
vernietigt het eindvonnis van de kantonrechter van 14 juni 2011 uitsluitend voor zover daarbij [appellant] is veroordeeld tot betaling van een bedrag in hoofdsom groot € 3.887,75 en doet in zoverre opnieuw recht door [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag in hoofdsom, groot € 3.787,75, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als in dat vonnis bepaald.
bekrachtigt dat vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 284,- voor verschotten;
verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollena, mr. J.H. Kuiper en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 augustus 2013.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: