1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna (in mannelijk enkelvoud) [appellant sub 1] en [X] genoemd.
[appellant sub 1] is bij dagvaarding van 2 maart 2015, gevolgd door een exploot van 4 maart 2015, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, van 10 december 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant sub 1] als eiser en [X] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens wijziging eis, met producties;
- memorie van antwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant sub 1] heeft - na eiswijziging - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - primair [X] zal veroordelen tot betaling aan [appellant sub 1] van € 32.408,34 en subsidiair € 23.827,90, te vermeerderen met € 5.543,80 alsmede met wettelijke rente vanaf 30 april 2013 en buitengerechtelijke kosten, verminderd met de reeds in eerste aanleg toegewezen som, met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties.
[X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met
- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant sub 1] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen, voor zover in hoger beroep nog van belang, neer op het volgende.
1. [appellant sub 1] heeft aan de [adres] te [plaats] een nieuw woonhuis laten bouwen en een tuin laten aanleggen en inrichten. Voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft [appellant sub 1] hoofdaannemer [A] , Tuinarchitect [B] (hierna: [B] ), Hoveniersbedrijf [C] (hierna: [C] ) en [X] ingeschakeld. [X] heeft een deel van de werkzaamheden in opdracht van [A] uitgevoerd en een deel in opdracht van [appellant sub 1] .
2 Op 23 september 2011 heeft [X] een offerte aan [appellant sub 1] uitgebracht met de volgende inhoud, voor zover hier van belang:
“(…)Betreft: Nieuwbouw won. [adres] [plaats] , onderdeel verhardingen
(…)
WERKBESCHRIJVING:
Lev./ aanbr. keerwand, hoogte elementen 75 cm, (…) € 19.695,--
Lev. / aanbr. traptrede met neus, (…) € 1.535,--
Verdichten – profileren onderbaan m.b.t. aanbrengen verhardingen, ca 540 m2, € 798,--
Lev. / aanbr. Scorio Bricks, (…) € 16.560,--
Lev. / aanbr. Ocean Blue (…) € 10.760,--
Lev. / aanbr. King gravel plaat (…) € 4.800,--
(…)
PRIJS:
Bovengenoemde werkzaamheden bieden wij u aan voor een totaalbedrag van € 54.148,--, excl. BTW (…)”
3 Op 15 november 2011 heeft [C] een offerte voor de aanleg van de tuin aan [appellant sub 1] uitgebracht met de volgende inhoud, voor zover hier van belang:
“(…) Betreft: Offerte aanleg tuin.
(…)
Werkomschrijving:
-Aanplanten van tuin volgens tekening en plantlijst
-Leveren bodemverbeterings materiaal (bomengrond, compost en Rhodoturf. (uitgaande van balansanalyse van grondmonster)).
-Afvoer grond die vrijkomt bij aanplant
-Bodemverankering, Watergeef- /beluchtingsdrains t.b.v. bomen.(…)”
4 Op 22 december 2011 heeft [X] een aanvullende offerte aan [appellant sub 1] uitgebracht met de volgende inhoud, voor zover hier van belang:
“(…) Betreft: Nieuwbouw won. [adres] [plaats] , onderdeel terreininrichting
WERKZAAMHEDEN:
Onderdeel Parkdrain:
Lev. / aanbr. van 30 m1 parkdrain, incl. inspectieput, vuilvanger en roosterhaak (…)”
5 [appellant sub 1] heeft de offerte van 22 december 2011 aanvaard en [X] opdracht gegeven meerwerk te verrichten. De door [X] in opdracht van [appellant sub 1] uitgevoerde werkzaamheden zijn als volgt weergegeven in de aan [appellant sub 1] verstrekte eindafrekening, voor zover hier van belang:
“(…)
Leveren aanbrengen Keerwand € 19.695,00 (…)
Leveren aanbrengen Traptrede 15 stuks € 1.535,00 (…)
Aanbrengen verharding ca 540m2 € 798,00 (…)
Leveren aanbrengen Scoria Bricks 207m2 € 16.560,00 (…)
Leveren aanbrengen Ocean wildverband 205 € 10.760,00 (…)
Leveren aanbrengen King gravel + ardenners € 4.800,00 (…)
€ 54.148,00 (…)
Leveren en aanbrengen Parkdrain € 3.875,00 (…)
Meerwerk Schutting etc etc € 3.100,00 (…)
Diversen meerwerken € 7.859,00 (…)
Opsluitbanden Hardsteen € 4.883,00 (…)
vijver € 8.085,00 (…)
meerwerk vijver € 1.309,00 (…)
Regie toilet containers, manuren hekwerk € 970,00 (…)
€ -195,00 (…)
€ 29.886,00 (…)
€ 84.034,00
(…)”
6 In verband met wateroverlast in de tuin en de kelder heeft [appellant sub 1] [Y] Expertises ingeschakeld om een expertiserapport op te stellen over de oorzaak en omvang daarvan. In de rapportage van 26 februari 2013 (hierna: het expertiserapport) staat het volgende, voor zover hier van belang.
“(…) Bij onze eerste inspectie constateerden wij dat het betreffende perceel globaal van achter naar voren enigszins afloopt.
(…)
Bij onze inspectie heeft cliënt ons de volgende gebreken laten zien:
-
Wateroverlast aan linker voorzijde van de tuin (gezien van de openbare weg).
-
(…)
-
(…)
-
Wateroverlast bij de oprit aan de rechterzijde van de woning.
(…)
Wateroverlast aan de linker voorzijde van de tuin
(…)
Bij de inspectie van 11 oktober 2012 (…) De heer [X] wees er nog op, dat er gewerkt moest worden met een gesloten grondbalans, waardoor hij de uit de bouwput afkomstige grond diende her te gebruiken.
(...)
Desgevraagd vernamen wij van cliënt, dat er voorafgaand aan de bouwactiviteiten een verkennend bodemkundig onderzoek is uitgevoerd. (…) Uit de gemaakte boorprofielen maken wij op dat de bodemopbouw bestaat uit matig fijn tot matig grof zand, waarbij vanaf een diepte van 3 meter ook matig grind wordt aangetroffen.
Op basis van de bovenstaande informatie zou intrinsiek de bodemopbouw voldoende capaciteit dienen te bezitten om hemelwater te bergen. Factoren die berging van hemelwater kunnen belemmeren zijn:
-Verdichtingsgraad van bodem en de samenstelling (leem, slibgehalte).
-Belemmeringen in het afstromen.
-Toestromen van water vanaf andere delen van de tuin.
(…)
Inspectie 6 december 2012
Bij deze inspectie spraken wij met de hovenier, de heer [C] en met de tuinarchitect, de heer [B] . De heer [C] verklaarde dat hij de heer [X] uitdrukkelijk gewaarschuwd had dat de grond afkomstig uit de bouwput ongeschikt was als tuingrond. Niet alleen was de grond zeer arm, maar er zat ook leem in. De heer [C] verklaarde dat de heer [X] echter persisteerde in zijn visie dat de grond geschikt was. Daarnaast verklaarde heer [C] dat het spitwerk van de grond aan de linkerzijde in een vochtige periode is uitgevoerd. De heer [B] beaamde dat. Bij het uitvoeren van spitwerk in natte condities slaat de grond dicht en wordt er onvoldoende lucht ingebracht zodat de structuur als tuingrond geheel te niet wordt gedaan.
(…) Wij hebben (…) niet kunnen controleren of de drainage op deze drain is aangesloten. (…)
Resumerend kan gesteld worden dat de langdurige vochtige condities van de tuin aan de linker voorzijde van de woning veroorzaakt wordt door een combinatie van de volgende factoren:
-Onvoldoende spitwerk van de ondergrond die als bouwweg is gebruikt tijdens de bouw van de woning.
-Het uitvoeren van spitwerk in natte condities waardoor de structuur is verdwenen en de grond te veel is verdicht.
-Onvoldoende afvoer van hemelwater via de aangebrachte drainage.
(…)
4. Wateroverlast bij oprit in periode van regenval.
(…)
Wij hebben de loop van drainage en wijze waarop deze hemelwater afvoert niet kunnen controleren, ook omdat een wel noodzakelijke inspectie en ontstoppingsput ontbreekt. De drainage voldoet daarom niet aan de eis van goed en deugdelijk werk. Bovendien is het niet toegestaan hemelwaterafvoeren aan te sluiten op de openbare riolering.
(…)
HERSTELKOSTEN
(…)
De herstel kosten hebben wij op basis van de ontvangen informatie begroot als volgt:
1. Wateroverlast aan de linker voorzijde van de tuin. (…) € 17.535.90
2. (…)
3. (…)
4. Wateroverlast bij oprit in periode van regenval. (…) € 4.840,00 (…)”
7 Op 5 september 2014 heeft [D] aan de advocaat van [appellant sub 1] het volgende geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) In mei 2012 zijn wij benaderd door Dhr. [X] (…) naar aanleiding van diverse keren wateroverlast in de kelder. Toen heb ik (…) gevraagd (…) of de grond gespit was. Als controle heb ik geprobeerd een schop in de grond te krijgen. De grond was dusdanig hard, dat dit haast niet mogelijk was. Daaruit maakte ik op dat de grond niet gespit was. Hierdoor kan het water niet goed wegzakken in de grond. Mijn advies was om de tuin goed om te spitten. Op deze manier zou het water beter kunnen wegzakken, waardoor het probleem m.b.t. de wateroverlast opgelost zou worden. (…)”
3 Beoordeling
3.1
In dit hoger beroep staat nog slechts de vordering ter zake van wateroverlast aan de linker voorzijde van de tuin en ter zake van wateroverlast bij de oprit in periodes van regenval ter discussie. De rechtbank heeft de vordering van [appellant sub 1] op deze onderdelen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant sub 1] met zijn grieven op.
3.2
Met grief 1 betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [X] haar verweer dat [appellant sub 1] niet [X] , maar de hoofdaannemer [A] had moeten aanspreken niet heeft prijsgegeven. Deze grief faalt omdat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd (in de kern dat [X] na ontvangst van de klachten over wateroverlast deze in behandeling heeft genomen, oplossingen heeft aangedragen en herstelpogingen heeft gedaan) niet leidt tot de conclusie dat [X] ondubbelzinnig tegenover [appellant sub 1] te kennen heeft gegeven dat zij dit verweer niet zou voeren. Onder die omstandigheden valt ook niet in te zien dat het voeren van dat verweer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede nu op grond van het handelen van [X] evenmin kan worden aangenomen dat zij het gerechtvaardigd vertrouwen bij [appellant sub 1] heeft opgewekt dat zij dit verweer niet zou voeren, noch dat [appellant sub 1] daardoor onredelijk wordt benadeeld.
3.3
Grief 2 richt zich in het bijzonder tegen het oordeel dat, voor zover [appellant sub 1] zich op het standpunt stelt dat de wateroverlast te wijten is aan gebrekkige uitvoering van grond- of drainagewerkzaamheden, [X] daarvoor niet aansprakelijk is. Volgens [appellant sub 1] heeft [X] niet alleen in opdracht van [A] grond- en drainagewerkzaamheden uitgevoerd, maar ook in zijn opdracht, en zijn de werkzaamheden die [X] in zijn opdracht heeft uitgevoerd, gebrekkig. Deze werkzaamheden hielden verband met de aanleg van de tuin en betroffen - voor zover hier van belang - het aanbrengen van de bestrating, het omranden van de tuin met insluitbanden en het aanleggen van een drainage (het hof begrijpt: de parkdrain). Daarbij is volgens [appellant sub 1] een deel van de tuin als bouwweg gebruikt en de tuin met zwaar materieel en zonder rijplaten bereden, waardoor de grond is verdicht. Tevens is de grond onvoldoende omgespit alvorens de bestrating aan te brengen. Ook is onvoldoende drainage een oorzaak van de wateroverlast, aldus [appellant sub 1] .
3.4
Met grief 3 bestrijdt [appellant sub 1] het oordeel van de rechtbank dat het niet op de weg van [X] , maar van [C] lag om [appellant sub 1] te informeren over de geschiktheid van de grond uit de bouwput voor de tuin. Hierbij gaat volgens [appellant sub 1] de rechtbank er ten onrechte van uit dat [X] slechts de opdracht had de grond uit de bouwput op te brengen, terwijl [C] de opdracht had de tuin aan te leggen met inachtneming van de kwaliteit van de grond. Ter toelichting voert [appellant sub 1] aan dat de grond uit de bouwput op zich geschikt was voor tuinaanleg door [X] en beplanting door [C] , maar na het berijden door [X] daarvan, wegens de ontstane verdichting, zonder deugdelijke drainage en grondig spitwerk niet langer. Dit moet voor rekening van [X] komen, ook al omdat hij op grond van artikel 7:754 BW een waarschuwingsplicht heeft voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij die kende of redelijkerwijs behoorde te kennen en voor de ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, in dit geval de grond waarop deze het werk laat uitvoeren.
3.5
Grief 4 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangevoerd om aan te nemen dat [X] in opdracht van [appellant sub 1] heeft gespit. Volgens [appellant sub 1] is in opdracht van [X] wel degelijk spitwerk (door de firma [E] ) uitgevoerd, maar was dat onvoldoende. Als al wordt aangenomen dat niet is gespit, is [X] daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij had immers moeten weten dat na het afgraven en opbrengen van de grond in natte condities en het gebruik van de grond als bouwweg, zonder deugdelijk spitwerk de grond onvoldoende afwateringscapaciteit zou hebben, aldus steeds [appellant sub 1] .
3.6
Met grief 5 stelt [appellant sub 1] aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [X] jegens [appellant sub 1] niet aansprakelijk is voor de gebrekkige uitvoering van de drainagewerkzaamheden en dat [appellant sub 1] ten onrechte voor de wateroverlast bij de oprit naar de hoofdaannemer [A] is verwezen. [appellant sub 1] licht toe dat [X] in opdracht van hem een parkdrain heeft aangelegd om het huis en dat in een overleg tussen [X] en [appellant sub 1] is besloten een deel daarvan (tussen de voordeur en de oprit) achterwege te laten, omdat aldaar de afwatering via grind voldoende zou zijn. De oprit staat echter steeds onder water en dat was dus een verkeerd advies. Als er al geen advies door [X] zou zijn gegeven, zoals zij stelt, dan nog is [X] tekortgeschoten omdat zij niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Zij had in dat kader [appellant sub 1] moeten afraden de drain aldaar achterwege te laten, aldus steeds [appellant sub 1] .
3.7
De grieven 2 tot en met 5 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat het opbrengen van de grond uit de bouwput en het egaliseren van de grond rondom de woning door [X] als onderaannemer van [A] is verricht. Tot die werkzaamheden die plaatsvonden voordat [X] in opdracht van [appellant sub 1] is gaan werken, behoorde ook al het drainagewerk, uitgezonderd de parkdrain rondom de woning. Kortom , dit betrof zoals [X] stelt: alle grond- en drainagewerkzaamheden. Voor gebreken met betrekking tot die werkzaamheden dient [appellant sub 1] dan ook [A] als hoofdaannemer aan te spreken, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. De opdracht van [appellant sub 1] - voor zover hier van belang - hield vervolgens in dat [X] , zoals uit de hierboven beschreven offerte en eindafrekening kan worden afgeleid, een vijver zou realiseren, de bestrating in de tuin zou aanbrengen en een parkdrain rondom de woning zou aanleggen. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat [X] opdracht had de tuin aan te leggen (verdergaand dan hierboven vermeld) is die stelling, mede in het licht van de betwisting van [X] , onvoldoende toegelicht. [X] voert terecht aan dat daarvoor door [appellant sub 1] een tuinarchitect ( [B] ) en hovenier ( [C] ) waren ingeschakeld.
3.8
Waar het betreft de wateroverlast aan de linkervoorzijde van de tuin heeft [appellant sub 1] zich op het standpunt gesteld dat die wateroverlast als oorzaak had dat een deel van de tuin als bouwweg werd gebruikt en de tuin met zwaar materieel en zonder rijplaten is bereden, waardoor de grond is verdicht, dat de grond onvoldoende is omgespit alvorens de bestrating aan te brengen en dat onvoldoende drainage een oorzaak van de wateroverlast is. In het expertiserapport zijn als mogelijke oorzaken van de wateroverlast vermeld (i) onvoldoende spitwerk van de ondergrond die als bouwweg is gebruikt tijdens de bouw van de woning (ii) uitvoeren van spitwerk in te natte condities en (iii) onvoldoende afvoer van hemelwater via de drainage. In het licht van het verweer van [X] dat in dat deel van de tuin slechts 3,2 m2 is bestraat, en de constateringen in het expertiserapport als voormeld, alsook dat een deel van 150m2 van dit deel van de tuin drijfnat is, is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de aangelegde bestrating een oorzaak is van die wateroverlast. Voor zover het gaat om gebrekkige drainage daar is hiervoor al opgemerkt dat deze door [X] als onderaannemer van [A] is aangelegd en dat laatstgenoemde daarom dient te worden aangesproken voor eventuele gebreken op dat punt (de parkdrain die [X] heeft aangelegd ligt immers niet in dit deel van de tuin, maar om de woning). Voor het overige, zoals (onvoldoende) spitwerk, is onvoldoende onderbouwd dat spitwerk, of meer in het algemeen het geschikt maken van de ondergrond voor tuinaanleg, tot de contractuele verplichtingen behoorde van [X] uit hoofde van de opdracht van [appellant sub 1] , zoals [X] terecht aanvoert. Uit de offerte en de eindafrekening kan dit in elk geval niet worden afgeleid. [X] stelt terecht dat dit tot de verantwoordelijkheid van [C] behoorde, die overigens, zoals uit het expertiserapport blijkt, had opgemerkt dat de grond ongeschikt was. In zoverre kan [X] worden gevolgd in zijn stelling dat een eventuele waarschuwingsplicht dan ook bij [C] ligt en hij dient te worden aangesproken voor eventuele gebreken. Dat die ongeschiktheid mogelijk het resultaat was van verdichting als gevolg van gebruik van die grond als bouwweg door [X] (zonder gebruik van stelconplaten) is door [X] betwist, maar doet daar ook niet aan af, omdat ook dan dit gebruik in onderaanneming van [A] is geschied. De grieven falen voor zover zij zich toespitsen op dit onderdeel.
3.9
Voor zover het gaat om de wateroverlast bij de oprit ligt dit anders. [X] was als aannemer verantwoordelijk voor de aanleg van deze oprit. Daarbij behoorde ook de zorg voor een goede afwatering. [X] was uit hoofde van haar werkzaamheden die zij in opdracht van [A] had verricht bij uitstek op de hoogte van de aard en gesteldheid van de grond, alsmede van de drainage ter plekke die zij eerder in onderaanneming van [A] had aangelegd. Daarbij komt dat zij ook verantwoordelijk was voor de aanleg van een parkdrain ten behoeve van de afwatering rondom de woning. Voor gebreken verband houdend met (de aanleg van) de oprit, zoals de wateroverlast, wordt [X] derhalve terecht door [appellant sub 1] aangesproken. Bij conclusie van antwoord heeft [X] als verweer gevoerd (zie ook het e-mailbericht van 17 juli 2013, productie 9 inleidende dagvaarding) dat de reden van de wateroverlast was dat het nodig was een goot te maken om het water van het rieten dak van het huis op te vangen en af te voeren, maar dat [appellant sub 1] opdracht had gegeven een deel van die goot (het hof begrijpt: parkdrain), achterwege te laten. Voor zover [X] al gevolgd zou moeten worden in de feitelijke vaststelling dat hij opdracht had gekregen van [appellant sub 1] om een deel van de parkdrain tussen de voordeur en de oprit achterwege te laten baat dit verweer hem niet. [appellant sub 1] voert immers terecht aan dat [X] hem dan had dienen te waarschuwen dat dit tot dergelijke problemen zou kunnen leiden. Dat [X] een dergelijke waarschuwing naar [appellant sub 1] heeft doen uitgaan is niet gesteld en evenmin gebleken. Dat het werk zou zijn opgeleverd en aanvaard doet evenmin aan de aansprakelijkheid van [X] af, omdat het weliswaar zichtbaar was dat een deel van de goot ontbrak, maar het feit dat de drainage als geheel ter plekke onvoldoende was zich pas manifesteerde na regenval en in zoverre sprake is van een verborgen gebrek. Onvoldoende onderbouwd is de stelling dat [appellant sub 1] een en ander op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, zodat het hof daaraan voorbijgaat. De grieven slagen daarom voor zover zij zich toespitsen op het onderdeel aangaande de waarschuwingsplicht.
3.10
[X] heeft de hoogte van de gevorderde schade, gebaseerd op de facturen van [D] , betwist. Terecht voert [X] aan dat deze facturen teveel vragen oproepen om als basis voor schadebegroting te dienen. Het hof zal daarom uitgaan van de begroting die in het expertiserapport is vermeld. Weliswaar heeft [X] aangevoerd dat zij de wateroverlast had kunnen verhelpen voor € 3.838,72, maar dit is verder niet onderbouwd. Ook de bezwaren die [X] inbrengt tegen het expertise-rapport, en met name de daarin genoemde post van € 1.500,- ter zake ‘gangbaar maken rooster drain’ acht het hof onvoldoende gesubstantieerd. Gezien de onderbouwing in dat rapport van die post had [X] , zich in eerste aanleg op het standpunt stellend dat zich een afvoerput 80 cm onder de grond bevond en in hoger beroep dat een inspectieput aanwezig is, moeten uitleggen waarom die afvoerput zou voldoen als een in het expertiserapport beschreven ‘noodzakelijke inspectie en ontstoppingsput. Ook had zij daarbij dienen uit te leggen of er verschil bestaat tussen een inspectieput en een afvoerput en wat het verband is tussen de aanwezigheid van een zodanige put met de post ‘gangbaar maken rooster drain’. Tot veel meer dan een enkele weerspreking van de bewuste post komt [X] in feite niet. Het hof gaat er daarom van uit dat de constateringen van de deskundige op dit punt juist zijn. Dit brengt mee dat de vordering in verband met herstel, zoals in het expertiserapport in totaal begroot op € 4.840,-, toewijsbaar is.
3.11
De grieven 6 en 7 hebben de strekking dat de kosten van de deskundige en de buitengerechtelijke kosten dienen te worden afgestemd op het toe te wijzen bedrag aan hoofdsom. Deze grieven slagen. Grief 8 faalt reeds omdat, anders dan [appellant sub 1] heeft betoogd, de gevorderde hoofdsom niet volledig toewijsbaar is. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de door de rechtbank toegewezen proceskosten voor de eerste aanleg ook passen bij het in hoger beroep toe te wijzen bedrag.
3.12
Het bewijsaanbod wordt gepasseerd. Er is geen concreet bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden, die - indien bewezen - tot andere conclusies dan voormeld kunnen leiden.
3.13
Het gedeeltelijk slagen van de grieven heeft als gevolg dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd voor zover daarbij het meer gevorderde dan € 2.100,63 (bestaande uit € 1.452,- aan hoofdsom, € 325,94 aan expertisekosten en € 322,69 aan buitengerechtelijke kosten) is afgewezen. Deze bedragen moeten immers worden vermeerderd met, respectievelijk aangepast aan hetgeen in hoger beroep nog wordt toegewezen. De vorderingen van [appellant sub 1] worden derhalve als na te melden toegewezen, waarbij de expertisekosten naar redelijkheid (ongeveer 25% van het totaal van die kosten, gelet op het toe te wijzen bedrag) zijn begroot.
- in eerste aanleg toegewezen aan hoofdsom: € 1.452,-
- in hoger beroep alsnog toe te wijzen: € 4.840,-
- subtotaal 1: € 6.292,-
- expertisekosten: € 1.400,-
- subtotaal 2: € 7.692,-
- buitengerechtelijke kosten over hoofdsom en expertisekosten: € 759,60
- totaal: € 8.451,60
- rente: p.m.
Dit totaal, verminderd met hetgeen in eerste aanleg reeds is toegewezen ter zake van hoofdsom (€ 2.100,63), bedraagt € 6.350,97, en zal hierna alsnog worden toegewezen. Ten slotte dient [X] in de kosten van het hoger beroep te worden verwezen, waarbij deze kosten worden afgestemd op subtotaal 2.