1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en QlikTech genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 23 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van het op 30 september 2013 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer uitgesproken vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), gewezen tussen [appellant] als eiser en QlikTech als gedaagde (hierna: het vonnis).
Tussen partijen zijn hierna de volgende stukken gewisseld:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlating producties.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en alsnog uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen in de eerste aanleg zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
QlikTech heeft geconcludeerd dat het hof de grieven zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.
2. De feiten
De kantonrechter heeft onder het kopje “De feiten” onder a. tot en met o. de feiten weergegeven waarvan hij voor de beoordeling van de zaak is uitgegaan. Deze feiten zijn niet in geschil zodat zij ook in hoger beroep tot uitgangspunt dienen.
Behalve de door de kantonrechter genoemde e-mails hebben de gemachtigden/advocaten van partijen in de periode van juni/juli 2013 nog enkele andere e-mails geschreven. Met het oog op de overzichtelijkheid en het belang daarvan voor de beoordeling van de zaak, wordt hieronder de gehele relevante correspondentie tussen de raadslieden gevoerd vanaf 27 mei 2013 tot eind juni 2013 weergeven:
a. Op 27 mei 2013 te 09.54 uur heeft de toenmalige juridische adviseur van [appellant] aan de advocaat van QlikTech geschreven:
“Zojuist cliënt gesproken en ik meen dat er nog wel een mogelijkheid inzit om tot een vergelijk te komen.
Partijen verschillen slechts nog van mening over het non-concurrentiebeding. Cliënt is al sinds 1 april niet meer actief bij zijn werkgever. Is het dan niet redelijk de door u voorgestelde zes maanden dat het cb-/relatieverbod moet gelden in te laten gaan vanaf die datum?
Cliënt zal in dat geval ook zijn eis van financiële compensatie laten vallen. Wel wil hij tot het einde dienstverband tot 1 juli a.s. zijn salaris uitbetaald zien voor het bedrag van € 18.550
(...)”
b. Hierop heeft de advocaat van QlikTech per e-mailbericht van 29 mei 2013 te 11:15 uur geantwoord, verwijzend naar een als bijlage gevoegde concept-vaststellingsovereenkomst in twee talen (Engels-Nederlands):
“QlikTech is bereid in te stemmen met het laatste voorstel van uw cliënt zo dat ook het enige punt dat partijen verdeeld hield (het concurrentiebeding) thans tot overeenstemming heeft geleid.
(…)
Graag zie ik de door uw cliënt ondertekende vaststellingsovereenkomst retour. Ik zal het er op mijn beurt vervolgens toe leiden dat ook namens QlikTech wordt overgegaan tot ondertekening (…)”
c. Per e-mail bericht van 29 mei 2013 te 16:06 uur heeft de juridische adviseur van [appellant] als volgt gereageerd:
“Het verheugt mij vast te kunnen stellen dat partijen uiteindelijk toch overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.
Cliënt en ik hebben uw concepttekst van de tweetalige vaststellingsovereenkomst doorgenomen en plaatsen daarbij de volgende opmerkingen:
1. (...)
(...)
7. In beide versies: artikel 2 lid 1 dient het bedrag vervangen te worden door € 140.000,-- (honderdveertig duizend euro). Ter toelichting: dit bedrag is in uw e-mail bericht van 21 mei jl. aangeboden waarmee cliënt heeft ingesteld (het hof begrijpt: ingestemd) (...)”
d. In reactie schreef de advocaat van QlikTech in een e-mail van 31 mei 2013 om 17:18 uur terug:
“Ik kom na het weekend bij u op uw e-mail terug. Een en ander hoeft de datum van overeenstemming (29 mei 2013) niet in de weg te staan”.
e. Bij e-mail bericht van 4 juni 2013 te 14.15 uur heeft de gemachtigde van QlikTech het volgende aan de toenmalige juridische adviseur van [appellant] geschreven:
“Als bijlage treft u aan een aangepaste vaststellingsovereenkomst, de wijzigingen spreken voor zich. (…)
Een onderdeel lijkt evenwel nog roet in het eten te kunnen gooien. QlikTech's eerdere aanbod om de vergoeding af te ronden naar EUR 140.000,- bruto ging hand in hand met een concurrentiebeding voor de duur van 6 maanden gerekend vanaf 1 juli 2013. Dat aanbod is niet aanvaard door uw cliënt en derhalve is dat aanbod komen te vervallen. Het voorstel voor een 6 maanden durend concurrentiebeding per datum vrijstelling (1 april 2013) is niet gekoppeld aan de vergoeding van EUR 140.000,- bruto en QlikTech heeft het aanbod aanvaard in de veronderstelling dat dit was met een vergoeding van EUR 133.617,33 bruto. Ik wil er geen misverstand over laten bestaan dat dit alsnog een deal breker is als uw cliënt zou vasthouden aan de vergoeding van EUR 140.000,- bruto want in dat geval heeft QlikTech gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst. Ik heb geen mandaat om naast het matigen van het concurrentiebeding vanaf 1 april 2013 voor de duur van 6 maanden, een vergoeding te betalen die hoger is dan hetgeen thans in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen.
(...)
De ondertekende vaststellingsovereenkomst zie ik graag uiterlijk morgen, 5 juni 2013 te 1400 uur tegemoet. Als ik het dan niet retour zou hebben ontvangen neem ik aan dat sprake is van wederzijdse dwaling en er geen overeenstemming tot stand is gekomen. Ik zal dan alsnog het verzoekschrift ter ontbinding van de arbeidsovereenkomst voltooien en indienen bij de rechtbank.
(…)”
f. Bij e-mail van 4 juni 2013 te 23.12 uur heeft de toenmalige juridische adviseur van [appellant] aan de advocaat van QlikTech teruggeschreven:
“Eerder meldde ik mijn verhinderdata van 3 tot en met 10 juni. Ik zal volgende week reageren.”
g. Per e-mailbericht van 11 juni 2013 te 11.08 uur heeft de advocaat van [appellant] de advocaat van QlikTech per e-mail bericht dat [appellant] hem had verzocht hem in het vervolg bij te staan. In dat bericht heeft de advocaat van [appellant] voorts geschreven:
“Ik begrijp van cliënt dat er sprake is van wederzijdse dwaling en dat er mitsdien, zoals u schrijft in uw e-mailbericht van 4 juni jl., geen overeenkomst tot stand is gekomen. U geeft aan dat u namens uw cliënte ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal verzoeken. Indien dat juist is dan verneem ik dat graag en stuur ik u mijn verhinderdagen.”
h. Per e-mail bericht van 11 juni 2013 te 11:46 uur heeft de advocaat van QlikTech het volgende aan de advocaat van [appellant] geschreven:
“Ik heb ons telefoongesprek van zojuist gewaardeerd. Ik wil bij dezen wel bevestigen dat QlikTech akkoord is met de laatste plooi die gladgestreken moest worden, te weten of de vergoeding van EUR 133.617,33 bruto dan wel EUR 140.000,- bruto zou moeten bedragen. QlikTech stemt in met de vergoeding van EUR 140.000 bruto zodat daarmee een allesomvattende, perfecte overeenkomst is ontstaan. Ik paste de voor het overige reeds geaccordeerde vaststellingsovereenkomst aan. Ik zie deze graag voorzien van parafen en handtekening retour.”
i. Bij e-mail bericht van 11 juni 2013 om 12:09 uur heeft de advocaat van [appellant] aan de advocaat van QlikTech als volgt gereageerd:
“Naar aanleiding van uw (...) bericht meld ik u dat cliënt zich het recht voorbehoudt om de totstandkoming van een overeenkomst te betwisten.
Zie immers uw bericht van 4 juni jl. en zie mijn e-mailbericht aan u van vanochtend.
Ik stel voor dat wij deze discussie even parkeren met behoud van ieders rechten.
Na nadere kennisname van het dossier en overleg met cliënt kom ik zoals gezegd spoedig, uiterlijk a.s. vrijdag, bij u op de zaak terug.”
j. Bij e-mailbericht van 16 juni 2013 berichtte de advocaat van [appellant] als volgt aan de advocaat van QlikTech:
“(...) Per separate email stuur ik u zodadelijk het deskundigenbericht (met bijlagen) dat cliënt heeft ingewonnen (...).
Hieruit blijkt dat de in 2011 en 2012 aan cliënt toegekende aandelen en opties vanwege diens uitzonderlijke presteren, een zeer substantiële waarde vertegenwoordigen.
Cliënt zal niet akkoord gaan met een beëindiging van het dienstverband als hij daarmee afstand moet doen van deze rechten.
Een alternatief is dat hij wel afstand doet, maar dat passende schadeloosstelling plaatsvindt.
Voorzover uw cliënte persisteert in haar standpunt dat er reeds een overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband, bericht ik u dat cliënt persisteert in zijn betwisting daarvan.”
k. Bij e-mail van 19 juni 2013 heeft de advocaat van QlikTech teruggeschreven, voor zover van belang:
“(...) I reiterate that QlikTech is of the opinion that there is a full and final settlement between your client and QlikTech and therefore, QlikTech is not going to offer any additional compensation in relation to the options and/or RSU’s. QlikTech will execute the settlement agreement and take the standpoint that the employment agreements will end as per 1 July 2013. The severance of EUR 140.000,- gross shall be paid in a manner to be specified by your client (…)
In the meantime, I have been instructed by QlikTech to submit a request for the dissolution of the employment agreement “for as far legally required” (voorwaardelijk ontbindingsverzoek) (…)”
l. Per e-mailbericht 21 juni 2013 heeft de advocaat van [appellant], voor zover van belang, geschreven:
“Indien uw cliënte inderdaad uitvoering geeft aan de niet geaccordeerde vaststellingsovereenkomst, en zij mitsdien op 1 juli 2013 de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwt, dan bericht ik u bij deze dat cliënt protest aantekent.
Cliënt beroept zich op het ontbreken van de toestemming ex artikel 6 jo. 9 BBA, en hij blijft op eerste afroep beschikbaar voor het verrichten van de overeengekomen arbeid. Hij maakt aanspraak op tijdige betaling van loon c.a. totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Rente en schade ex artikel 7:625 B.W. worden bij deze op voorhand aangezegd.”
m. In latere correspondentie heeft de advocaat van [appellant] het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd gehandhaafd en alle rechten ter zake voorbehouden.
3 Beoordeling
3.1.
In dit kort geding vordert [appellant], voor zover hier van belang, onder I, doorbetaling van loon van € 10.181,33 bruto per maand vanaf 1 juli 2013 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst met QlikTech op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd. Onder II en III vordert hij dat QlikTech zal worden veroordeeld tot de betaling per maand van een bonus van € 8.570,= bruto en de bijdrage in de ziektekosten van € 140,=, alsmede, onder VI, tot continuering van alle verzekeringen en regelingen, waaronder in ieder geval de pensioenregeling, het aandelenprogramma en de optieregelingen en alle daarmee samenhangende regelingen en, onder VII, tot nakoming van alle arbeidsvoorwaarden uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. QlikTech heeft deze vorderingen in de eerste plaats bestreden met de stelling dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2013 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De kantonrechter heeft dit verweer gehonoreerd en de vermelde vorderingen daarom afgewezen.
3.2.
De grieven 2, 3 en 4 keren zich tegen die beslissing met de klacht dat de kantonrechter ten onrechte voorlopig heeft geoordeeld dat uit de onder de feiten vermelde en geciteerde mailwisseling blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2013.
3.3.
De grieven treffen doel. In de e-mail van de juridisch adviseur van [appellant] van 29 mei 2013 te 16.06 uur wordt weliswaar opgemerkt dat het verheugend is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar uit het vervolg van de e-mail blijkt dat [appellant] de door QlikTech toegezonden vaststellingsovereenkomst op onderdelen gewijzigd wilde zien. Van een volledige wilsovereenstemming tussen partijen was toen derhalve (nog) geen sprake. Per e-mail van 31 mei 2013 deelde de advocaat van QlikTech in reactie op de e-mail van de juridisch adviseur van 29 mei 2013 mee dat daarop “na het weekend” zou worden teruggekomen. Bij e-mail van 4 juni 2013 te 14.15 uur heeft de advocaat van QlikTech dat vervolgens gedaan. De advocaat van QlikTech deelt daarin mee niet in te stemmen met de vergoeding van € 140.000,= bruto die [appellant] wenste te ontvangen en hij wilde “(…) er geen misverstand over laten bestaan” dat als [appellant] daaraan toch zou vasthouden, “dit alsnog een deal breker is”. Deze mededeling kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet anders kan worden verstaan dan als een afwijzing van het voorstel van [appellant] tot aanpassing van de vaststellingsovereenkomst op het door hem vermelde punt van de ontslagvergoeding. Een aanbod vervalt doordat het wordt verworpen (artikel 6:221 lid 2 Burgerlijk Wetboek). Die situatie deed zich hier voor. Door de verwerping van het voorstel van [appellant] tot wijziging van de vaststellingsovereenkomst, verviel zijn aanbod. QlikTech kon daarom niet meer op 11 juni 2013 alsnog instemmen met een aan [appellant] te betalen ontslagvergoeding van € 140.000,=, wat verder zij van de redenen die QlikTech daarvoor mocht hebben gehad. Uit het voorgaande kan voorshands niet anders worden geconcludeerd dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat die overeenstemming ook niet later, door de e-mail van de advocaat van QlikTech van 11 juni 2013, alsnog tot stand is gekomen. Grief 3 klaagt er overigens ook terecht over dat de kantonrechter de oprichting door [appellant] van een ‘stamrecht B.V.’ en de uitbetaling door QlikTech van € 140.000,= (aan die B.V.) “eveneens” wijzen op het bestaan van wilsovereenstemming tussen partijen. Uit de overgelegde correspondentie blijkt genoegzaam dat [appellant] slechts onder - telkenmale herhaald - protest opgave heeft gedaan van het rekeningnummer van de stamrecht B.V. ten behoeve waarvan de storting door QlikTech van de ontslagvergoeding kon worden gedaan.
3.4.
Het voorgaande brengt mee dat alsnog beoordeeld moet worden of de vorderingen van [appellant] onder I tot en met III en VI en VII in dit kort geding kunnen worden toegewezen.
3.5.
Bij de vordering onder I tot doorbetaling van het loon heeft [appellant] naar het oordeel van het hof gelet op de aard daarvan voldoende spoedeisend belang. Het verweer van QlikTech dat niet gezegd kan worden dat [appellant] verstoken is van financiële middelen omdat hem de beëindigingsvergoeding van € 140.000,= is uitbetaald, miskent dat uit zijn standpunt voortvloeit dat dit bedrag hem niet toekomt. Geen doel treft voorts het verweer dat [appellant] zich niet beschikbaar heeft gehouden om de bedongen arbeid te verrichten. Uit de e-mail van zijn advocaat van 21 juni 2013 volgt het tegendeel. Dat [appellant] een (eigen) onderneming heeft opgericht en daarvoor werkzaamheden verricht brengt behoudens bijkomende omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken niet mee dat geen bereidheid meer bestaat de bedongen arbeid te verrichten. De vordering onder I zal worden toegewezen.
3.6.
QlikTech heeft zich tegen de vordering onder II, tot betaling van de maandelijkse bonus van € 8.570,=, verweerd met de stelling dat de bonus afhankelijk was gesteld van het behalen van resultaten die zowel individueel als op bedrijfsniveau moeten worden gerealiseerd en dat [appellant] zijn individuele doelstellingen niet gehaald heeft doordat hij al vanaf 1 april 2013 geen werkzaamheden verricht. Aan de vordering tot doorbetaling van de bonus kan dat echter niet in de weg staan. Door hem op non-actief te stellen is [appellant] immers niet in de gelegenheid gesteld zijn doelstellingen te behalen en na 1 juli 2013 heeft QlikTech hem niet tot het werk toegelaten omdat zij de naar ’s hof voorlopig oordeel onjuiste mening was toegedaan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden was geëindigd. QlikTech heeft niet betwist dat aan [appellant] een maandelijkse bonus van gedurende drie jaren voor 1 juli 2013 gemiddeld € 8.570,= werd betaald. De bonus is een variabel, maar wel vast overeengekomen loonbestanddeel en voldoende aannemelijk is dat [appellant] voor zijn levensonderhoud mede van deze bonus afhankelijk is, waarmee ook de spoedeisendheid van deze vordering gegeven is. QlikTech heeft geen informatie verschaft aangaande het inkomen van [appellant] uit hoofde van zijn nieuwe onderneming waaruit het tegendeel valt af te leiden. Ook vordering onder II zal worden toegewezen.
3.7.
Met betrekking tot de vordering onder III tot betaling van de bijdrage in de ziektekosten ad € 140,= per maand, geldt mutatis mutandis hetgeen is overwogen met betrekking tot de loonvordering. Ook deze vordering, die het hof gelet op de aard voldoende spoedeisend acht, is toewijsbaar.
3.8.
Ter toelichting op de vordering onder VI heeft [appellant] onder meer opgemerkt dat hij deelneemt aan de pensioenregeling van QlikTech. Hoewel QlikTech zich tegen dit onderdeel van de vorderingen slechts heeft verweerd met de stelling dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2013 is geëindigd en QlikTech daarin voorshands niet kan worden gevolgd, zal een veroordeling van QlikTech om [appellant] toegelaten te houden tot de pensioenregeling totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd niet worden toegewezen omdat een veroordeling daartoe te onbepaald is. Ook de vorderingen tot continuering van “het aandelenprogramma” en “de optieregelingen” zijn te onbepaald om te kunnen worden toegewezen, nog daargelaten dat [appellant] zijn spoedeisend belang daarbij onvoldoende heeft toegelicht. Een en andere geldt ook vordering VII. De vorderingen VI en VII zullen worden afgewezen.
3.9.
[appellant] heeft onder IV gevorderd dat QlikTech zal worden veroordeeld tot betaling van € 13.961,00 bruto aan achterstallige bonussen over de periode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. De kantonrechter heeft overwogen dat die vordering moet worden geweigerd omdat, gelet op de bestrijding door QlikTech, nader onderzoek is vereist, waartoe deze procedure (de kantonrechter bedoelt de onderhavige kort geding procedure) zich niet leent.
3.10.
Tegen deze beslissing richt zich grief 5. De grief treft doel. QlikTech heeft geen ander verweer gevoerd dan dat zij geen bonus aan [appellant] verschuldigd is omdat hij reeds sinds 1 april 2013 geen werkzaamheden meer voor QlikTech verricht. Dat verweer is ontoereikend om de redenen die zijn uiteengezet onder 3.7. Het verweer van QlikTech dat [appellant] inmiddels een eigen onderneming heeft opgezet en dat aangenomen mag worden dat hij daarmee een inkomen geniet, faalt, omdat de bonusbetaling een periode in het verleden betreft. QlikTech heeft overigens niet aangevoerd dat die bonus niet gemiddeld per maand € 8.570,= heeft bedragen. De vordering onder IV is derhalve eveneens toewijsbaar.
3.11.
Onder V heeft [appellant] gevorderd dat QlikTech zal worden veroordeeld tot betaling van € 13.526,89 bruto wegens optieschade. De vordering heeft de kantonrechter afgewezen op de grond dat [appellant] met (artikel 5 in) de vaststellingsovereenkomst een regeling heeft getroffen met betrekking tot die optierechten. Zoals hiervoor is overwogen, is naar het voorlopig oordeel van het hof geen overeenstemming tussen partijen bereikt over de vaststellingsovereenkomst. Grief 6 klaagt er dus terecht over dat de kantonrechter de vordering op die grond heeft afgewezen.
3.12.
[appellant] heeft deze vordering als volgt toegelicht. Door het handelen van QlikTech is [appellant] de mogelijkheid ontnomen om de op 5 augustus 2013 en 7 september 2013 vrijgevallen opties uit te oefenen. Deze vrijgevallen opties vertegenwoordigden een waarde van in totaal USD 18.065,17, dit is in euro’s € 13.526,89. [appellant] vordert een voorschot op de door hem geleden schade ter hoogte van dit bedrag wegens het niet kunnen uitoefenen van de aan hem toegekende opties van 5 augustus 2013 en 7 september 2013. Tegen toewijzing van deze vordering heeft QlikTech allereerst aangevoerd dat de optieovereenkomst is gesloten tussen [appellant] en Qlik Technologies Inc. en dat [appellant] zich tot deze vennootschap moet wenden indien hij meent nog aanspraken te hebben uit hoofde van de optieovereenkomst. Dit verweer miskent dat de opties aan [appellant], zoals hij ook stelt en QlikTech niet heeft weersproken, zijn toegekend door QlikTech als werkgeefster van [appellant] en dat niet relevant is dat de opties aandelen betreffen in Qlik Technologies Inc. De vordering strekt ook niet tot nakoming maar is gegrond op de omstandigheid dat QlikTech in haar verplichtingen als werkgeefster tekort is geschoten. QlikTech heeft voorts naar voren gebracht dat de verhouding tussen QlikTech en [appellant] beheerst wordt door de finale kwijting uit de vaststellingsovereenkomst zodat [appellant] geen aanspraken meer heeft op QlikTech. Zoals hiervoor is overwogen, faalt naar ’s hofs voorlopige oordeel het beroep van QlikTech op het bestaan van een vaststellingsovereenkomst en daarmee ook het beroep op de finale kwijting die daarin is gegeven. QlikTech heeft niet weersproken dat de schade die [appellant] lijdt doordat hij de opties op de bovengenoemde data niet heeft kunnen uitoefenen door handelen van QlikTech de omvang heeft die [appellant] heeft berekend. Het verweer van QlikTech dat [appellant] geen spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering heeft omdat hij een eigen onderneming heeft, acht het hof om de reden die onder 3.6 slot is vermeld onvoldoende onderbouwd. Naar zijn aard heeft ook deze vordering betrekking op een aan [appellant] toekomende beloning waarvan aannemelijk is dat hij die nodig heeft om in het levensonderhoud te voorzien. Ook de onderhavige vordering zal het hof thans toewijzen.
3.13.
[appellant] heeft onder VIII gevorderd dat QlikTech zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging over de onder I, II, III en IV gevorderde posten. Over deze posten is met uitzondering van post III (aangezien de bijdrage in de ziektekosten niet als loon in de zin van artikel 7:625 BW kan worden aangemerkt) de wettelijke verhoging toewijsbaar, maar het hof ziet aanleiding deze verhoging te matigen tot 20%. De onder IX gevorderde wettelijke rente is als niet bestreden toewijsbaar over de toe te wijzen posten onder I tot en met V en de daarover toegewezen wettelijke verhoging.
3.14.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen omdat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt andere kosten te hebben gemaakt dan die welke in verband met de voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak zijn gemaakt en om die reden onder de proceskosten vallen.
5 Beslissing
vernietigt het tussen partijen onder zaak-/rolnummer 2306112 \ VV EXPL 13-205 op 30 september 2013 gewezen vonnis van de kantonrechter in kort geding van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, en opnieuw rechtdoende:
( i) veroordeelt QlikTech tot betaling van het loon van € 10.181,33 bruto per maand over de periode vanaf 1 juli 2013 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, te vermeerderen met acht procent vakantietoeslag en overige emolumenten uit hoofde van de arbeidsovereenkomst;
(ii) veroordeelt QlikTech tot betaling van de bonus van € 8.570,= bruto per maand vanaf 1 juli 2013 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
(iii) veroordeelt QlikTech tot betaling van de bijdrage in de ziektekosten ad € 140,= bruto per maand vanaf 1 juli 2013 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
(iv) veroordeelt QlikTech tot betaling van een bedrag van € 13.961,= bruto aan achterstallige bonussen over de periode vanaf 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013;
( v) veroordeelt QlikTech tot betaling van een voorschot ad € 13.526,89 bruto uit hoofde van de door [appellant] geleden optieschade;
(vi) veroordeelt QlikTech tot betaling van een tot 20% gematigde wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over de bedragen genoemd onder (i), (ii) en (iv);
(vii) veroordeelt QlikTech tot betaling van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf de dag van de verschuldigdheid tot de dag van algehele voldoening over de bedragen genoemd onder (i), (ii), (iii), (iv), (v) en (vi);
veroordeelt QlikTech in de kosten van de procedure in eerste aanleg, en begroot die kosten voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen op € 97,05 aan verschotten en € 400,= voor salaris gemachtigde;
veroordeelt QlikTech in de kosten van de procedure in hoger beroep, en begroot die kosten voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen op € 780,05 aan verschotten en € 2.632,= voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, L.A.J. Dun en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014.