Parketnummer: 23-004317-12
Datum uitspraak: 16 mei 2014
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 28 september 2012 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 14-700212-12 tegen de veroordeelde:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
adres: [adres].
Procesgang
Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 24.151,66.
De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 28 september 2012 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod alsmede ter zake van diefstal.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Alkmaar bij vonnis van 28 september 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 2.575,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, daarbij uitgaande van één geslaagde oogst.
De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, dat hij met zijn eerste oogst van 130 planten € 3.400,00 heeft verdiend. De tweede oogst is mislukt vanwege zijn opname in de Brijder kliniek te Alkmaar. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de veroordeelde ter zitting een behandeloverzicht overgelegd van de Brijder kliniek. De derde oogst is niet verkocht maar door de politie in beslag genomen.
De veroordeelde heeft per plantje een bedrag van € 2,50 betaald.
De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht uit te gaan van de verklaring van de verdachte, nu het dossier weinig houvast biedt met betrekking tot de vaststelling van het verkregen voordeel.
Het hof overweegt en beslist als volgt.
Het hof is van oordeel, dat op grond van de stukken van het dossier, alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van het hiervoor genoemde feit waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof ontleent de schatting van dat op na te melden geldbedrag gewaardeerde voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen.
De bij onderstaande berekening gebezigde gegevens die niet voortvloeien uit de verklaring van veroordeelde, ontleent het hof, voor zover niet anders vermeld, aan het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht. Standaardberekening en normen. Update 1 november 2010” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie.
Het hof zal bij de berekening van het voordeel de lezing van de veroordeelde volgen, nu het rapport dat zich in het dossier bevindt met betrekking tot de berekening, onvoldoende duidelijk is.
Aldus komt het hof tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bruto opbrengst per oogst bij 130 planten:
€ 3.400,00
Kosten:
€ 150,00 (afschrijving)
€ 432,90 (variabel, 130 x 3,33)
€ 325,00 (kosten stekjes, 130 x € 2,50)
€ 670,74 (energiekosten ongeregistreerd verbruik voldaan door veroordeelde)
Totale kosten: € 1.578,64.
Wederrechtelijk verkregen voordeel:
Opbrengst minus kosten: € 3.400,00 - € 1.578,64 = € 1.821,36.
Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten ten bedrage van
€ 1.821,36.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden, dat hij een deel van de kosten die zijn ontstaan na ontdekking van de hennepkwekerij heeft voldaan uit een door hem voortijdig afgekochte levensverzekering, dat hij een uitkering ontvangt omdat hij door zijn alcoholverslaving niet in staat is te werken en dat hij enkele dagen per week vrijwilligerswerk doet. Verder is er sprake van psychische problematiek waarvoor hij medicijnen gebruikt.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat er redenen zijn tot matiging van de op te leggen betalingsverplichting. Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van, afgerond € 1.500,00.
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.821,36 (duizend achthonderdéénentwintig euro en zesendertig eurocent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.500,00 (één duizend en vijfhonderd euro).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 mei 2014.