3.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg - kort gezegd - nakoming van het concurrentie-beding gevorderd, op straffe van een dwangsom. [appellant] heeft zich daartegen verweerd en zijnerzijds (in reconventie) vernietiging, dan wel matiging van het beding gevorderd, en subsidiair een vergoeding op de voet van art. 7:653 lid 4 BW van € 3.300,- netto, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen.
De kantonrechter heeft in conventie de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] veroordeeld tot nakoming van het concurrentiebeding en tot betaling van een dwangsom van € 2.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zijn dienstverband bij [X] binnen de divisie Sales & Marketing voortduurt, vanaf twee weken na betekening van het vonnis, met veroordeling in de proceskosten.
In reconventie heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 2.500,- netto per maand over de periode juni tot en met augustus 2012.
De kantonrechter heeft aan deze veroordelingen in conventie ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] voldoende belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding terwijl [appellant] daardoor niet onredelijk wordt benadeeld en, in reconventie, dat aannemelijk is dat [appellant] bij handhaving van het concurrentiebeding niet onmiddellijk ander werk zal weten te vinden, reden waarom de toegekende vergoeding billijk is.
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.
3.2.1.
Grief I houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] een voldoende te respecteren belang heeft bij instandhouding van het concurrentiebeding, dat een regionale beperking van het beding geen recht doet aan het belang van [geïntimeerde] en dat het relatiebeding onvoldoende is ter bescherming van die belangen. [appellant] stelt ter toelichting op deze grief het volgende. Omdat [geïntimeerde] en [X] directe concurrenten van elkaar zijn stappen personeelsleden regelmatig naar het andere bedrijf over. Beide bedrijven houden er dezelfde werkwijze op na. Er is geen sprake van bijzondere bedrijfsgeheimen of concurrentiegevoelige informatie. [geïntimeerde] heeft niet een bijzondere werkwijze die haar een voorsprong geeft in de markt, zodat er geen gevaar is dat [geïntimeerde] haar voorsprong op enig gebied ten opzichte van [X] verliest door de overstap van [appellant] naar [X]. Voorts is door de kantonrechter ten onrechte meegewogen dat [appellant] op de hoogte was van financiële afspraken, nu de marges en prijzen in de markt overal hetzelfde zijn en de kennis over deze zaken snel is verouderd en overigens wordt beschermd door het relatiebeding. Ook is er door [geïntimeerde] niet bijzonder geïnvesteerd in opleidingen. [appellant] kreeg slechts een training “on the job”. Andere trainingen die hij intern heeft gevolgd worden binnen ieder recruitingbedrijf gegeven. De kans dat [X] profiteert van de kennis en kunde die [appellant] bij [geïntimeerde] heeft opgedaan is dus nihil. Verder is het zo dat de directeur van [geïntimeerde] zelf in een interview in de krant een open markt heeft gepropageerd. Ten slotte zijn de consultants bij [geïntimeerde] regionaal actief, net als bij [X] het geval is in finance recruitment. [appellant] heeft dus ook niets aan de bij [geïntimeerde] opgedane ervaring met, en contactpersonen bij, bedrijven in de regio waar hij actief was. De gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] zijn daarom voldoende gewaarborgd met de instandhouding van het ronsel-, relatie- en geheimhoudingsbeding en een regionale beperking van het concurrentiebeding, en er is geen speciaal belang van [geïntimeerde] dat maakt dat [appellant] in zijn geheel niet meer werkzaam zou mogen zijn binnen de werving- en selectiebranche gedurende een jaar na zijn dienstverband. Aldus [appellant].
3.2.2.
Het hof overweegt als volgt. Op 5 september 2011 heeft [Y] Finance Director bij [geïntimeerde], aan [appellant] een e-mail gestuurd die - voor zover hier van belang - inhoudt dat het concurrentiebeding alleen ziet op de disciplines Sales & Marketing en Finance voor de duur van twaalf maanden en dat het [appellant] vrijstaat om bij iedere concurrerende organisatie in dienst te treden. De inhoud van het concurrentiebeding zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven, in samenhang met deze e-mail, wijst niet op een verdergaand verbod, zodat de stelling van [appellant] dat hij in het geheel niet meer werkzaam zou mogen zijn binnen de werving- en selectiebranche geen hout snijdt. De kern bij de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] voldoende gerechtvaardigde belangen had om [appellant] aan het concurrentiebeding te houden betreft de omstandigheid dat [appellant] bij [X] aan de slag zou gaan (mede) om daar een nieuwe afdeling Sales & Marketing op te zetten. [X] beschikte immers niet over een dergelijke afdeling. [appellant] moet, gelet op zijn werkzaamheden op dit gebied bij [geïntimeerde], geacht worden een bijzondere en diepgaande kennis van, en ervaring op dat werkterrein te hebben opgedaan. De stellingen van [geïntimeerde] op dit punt zijn door [appellant] op zichzelf ook niet betwist. [geïntimeerde] kan daarom worden gevolgd in haar bij inleidende dagvaarding ter zake betrokken en evenmin weersproken stelling dat wanneer [appellant] deze kennis en ervaring zou aanwenden ten behoeve van [X], dit [X] een ongerechtvaardigde voorsprong in de concurrentiestrijd oplevert. In zoverre heeft [geïntimeerde] dus een voldoende te respecteren belang bij instandhouding van het concurrentiebeding en faalt de grief op dit onderdeel. Het oordeel moet vervolgens luiden dat, juist gelet op die bijzondere taak van [appellant] bij [X], die van een andere orde moet worden geacht dan de reguliere consultancy werkzaamheden, het ronsel-, relatie- en geheimhoudingsbeding de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] onvoldoende beschermen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een regionale beperking van het concurrentiebeding, waarbij nog meeweegt dat niet is gesteld of gebleken dat deze nieuw op te zetten afdeling geen landelijke of ten minste buiten-regionale uitstraling zou hebben. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd kan aan het voorgaande niet aan afdoen. De grief faalt daarom op alle onderdelen.
3.3.1.
Grief II behelst dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] door instandhouding van het concurrentiebeding niet onredelijk wordt benadeeld.
Ter toelichting op de grief voert [appellant] aan dat hij door een onrustige periode bij [geïntimeerde] en het vertrek van werknemers niet in staat was samen met collega’s iets op te bouwen. Ook zou hij bij [geïntimeerde] niet meer voldoende kunnen leren, als hij daar was blijven werken. Zijn carrière zat bij [geïntimeerde] op een dood spoor. Hij was weliswaar senior consultant, maar dat was een gebruikelijke stap na consultant te zijn geweest. Ook is hij bij [X] meer gaan verdienen en is zijn standplaats zijn woonplaats Amsterdam, zodat hij nu niet meer in de file hoeft te staan. Volgens [appellant] komt het concurrentiebeding in feite neer op een beroepsverbod omdat het heel ruim is geformuleerd. Hij is na zijn opleiding een andere weg ingeslagen, te weten de werving en selectie. Hij heeft daarin hard gewerkt en zich geprofileerd. Op een ander terrein werk vinden is geen optie en zou hem onredelijk benadelen. Bij [X] heeft hij juist het perspectief een nieuwe afdeling Sales & Marketing op te zetten, waarin hij meer leiding zal kunnen geven dan bij [geïntimeerde], en heeft hij meer doorgroeimogelijkheden.
3.3.2.
Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant] door instandhouding van het concurrentiebeding wordt benadeeld. De vraag is alleen of deze benadeling in verhouding tot het te beschermen belang van [geïntimeerde] onbillijk is.
[appellant] heeft niet gegriefd tegen de vaststellingen van de kantonrechter dat [appellant] bij [geïntimeerde] de kans heeft gekregen een vak te leren waarvoor hij niet was opgeleid en dat hij nooit zijn ongenoegen aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt over zijn salaris, werk of carrièreperspectieven, noch over zijn standplaats. Verder staat vast, wat er ook zij van de vraag of dit een gebruikelijk patroon was, dat [appellant] gedurende zijn betrekkelijk korte loopbaan bij [geïntimeerde] is opgeklommen van trainee human resources tot senior consultant en de daarbij behorende salarisstappen heeft gemaakt.
Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien juist, zouden nopen tot het oordeel dat zijn carrière op een dood spoor zat. Daarnaast geldt, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat het concurrentiebeding, in samenhang met de onder 3.2.2 genoemde e-mail aan [appellant] van 5 september 2011, alleen zag op de disciplines Sales & Marketing en Finance en dat het [appellant] overigens vrijstond om bij iedere concurrerende organisatie in dienst te treden. Mede gelet op zijn opleiding in Logistics & Economics en een MBA met specialisatie HR en werkervaring bij [geïntimeerde], kan niet worden gezegd dat [appellant] onaantrekkelijk voor potentiële werkgevers was of geen kansen op de arbeidsmarkt meer had.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen hetgeen in paragraaf 3.3. is overwogen ten aanzien van de belangen van [geïntimeerde], kan niet worden gezegd dat de benadeling die [appellant] ondervindt bij de instandhouding van het concurrentiebeding onbillijk is in verhouding tot het te beschermen belang van [geïntimeerde]. De salarisstap die hij ging maken bij [X] is naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat die afweging anders moet uitvallen. De slotsom is dat ook deze grief faalt.
3.4.1.
Grief III houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de primaire eis in reconventie van [appellant] heeft afgewezen en diens subsidiaire eis slechts gedeeltelijk heeft toegewezen.
3.4.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is voor vernietiging van het concurrentiebeding geen plaats, noch voor een beperking in territoriale werking. Voor een beperking in duur is evenmin aanleiding. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat in andere gevallen wel beperking naar duur plaatsvindt, dat kennis zeer snel is verouderd en dat van hem niet kan worden gevergd dat hij tot het einde van de werking van het beding thuis zit. In het licht van wat hiervoor is overwogen is dit echter onvoldoende zwaarwegend ten opzichte van de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] om niet tot zo’n beperking over te gaan, dan wel geldt dat de noodzaak geenszins bestaat dat [appellant] tot het einde van de werking van het beding geen werkzaamheden verricht, met dien verstande dat deze niet kunnen bestaan uit werkzaamheden die in het concurrentiebeding zijn verboden.
Met betrekking tot de subsidiaire eis geldt dat niet is gesteld of gebleken dat [appellant] zijn dienstverband met [X] heeft beëindigd, zodat voor toewijzing van die vordering tot een hoger bedrag (dat wil zeggen: ten aanzien van een langere periode dan van juni tot en met augustus 2012) geen grond is. Ook deze grief faalt dus.