Geldlening van gemeente aan ziekenhuis. Dat de bestuurders die namens het ziekenhuis de lening aangingen, tevens gemeenteambtenaren waren, maakt het nog niet onbevoegd wegens tegenstrijdig belang. Beroep op verjaring stuit af op rentebetaling binnen de verjaringstermijn.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SLOTERVAARTZIEKENHUIS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
advocaat: mr. R.A.M. Schram te Haarlem,
t e g e n
de krachtens publiekrecht rechtspersoonlijkheid bezittende rechtspersoon de gemeente Amsterdam,
zetelend te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Slotervaartziekenhuis en de gemeente Amsterdam genoemd.
1 Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 6 februari 2012 is Slotervaartziekenhuis in hoger beroep gekomen van het onder zaak-/rolnummer 488689 / HA ZA 11-1381 uitgesproken vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2012, in deze zaak gewezen tussen de gemeente Amsterdam als eiseres en Slotervaartziekenhuis als gedaagde.
Slotervaartziekenhuis heeft bij memorie twee grieven aangevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen van de gemeente Amsterdam zal afwijzen, met veroordeling van de gemeente Amsterdam in de kosten van de procedure in beide instanties.
Bij memorie van antwoord heeft de gemeente Amsterdam de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van Slotervaartziekenhuis in de kosten van het hoger beroep inclusief de nakosten.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 september 2012 doen bepleiten, Slotervaartziekenhuis door haar genoemde advocaat en de gemeente Amsterdam door mr. A.L. Bervoets, advocaat te Amsterdam. Door mr. Bervoets zijn daarbij notities overgelegd.
Ten slotte hebben de partijen verzocht arrest te wijzen.
2 Feiten
De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.15 een aantal feiten vermeld. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
3 Beoordeling
3.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.1.
Op 30 juni 1997 hebben de gemeente Amsterdam en (de rechtsvoorgangster van) Slotervaartziekenhuis een leningsovereenkomst gesloten op grond waarvan de gemeente Amsterdam aan (de rechtsvoorgangster van) Slotervaartziekenhuis een bedrag van fl. 10.084.000,-- (€ 4.575.919,69) heeft geleend. Dit betrof een achtergestelde lening die in het kader van de privatisering van het ziekenhuis door de gemeente Amsterdam is verstrekt. In 1996 was de Stichting Slotervaartziekenhuis opgericht, die de lening is aangegaan. Slotervaartziekenhuis is de rechtsopvolgster van deze stichting sinds 1 juni 2007.
3.1.2.
De leningsovereenkomst is namens Stichting Slotervaartziekenhuis ondertekend door haar rechtsgeldige vertegenwoordigers H.J. van der Reijden en L.J. Schoots. Beide bestuurders waren (zoals ook uit het handelsregister blijkt) alleen/zelfstandig bevoegd.
3.1.3.
In de leningsovereenkomst heeft Stichting Slotervaartziekenhuis zich verbonden over het geleende bedrag of het onafgeloste deel daarvan aan de gemeente Amsterdam 6% rente per jaar te betalen en wel op 31 december van ieder jaar. Gedurende de eerste vijf jaar was de lening aflossingsvrij. Daarna diende de lening te worden afgelost in tien gelijke jaarlijkse termijnen. De overeenkomst bepaalde voorts dat de aflossingen slechts verschuldigd zouden zijn indien en voor zover het eigen vermogen van (Stichting) Slotervaartziekenhuis daarvoor toereikend was, in dier voege dat ieder positief eigen vermogen, zoals dit uit de jaarrekening over enig boekjaar zou blijken, zou worden aangewend voor het doen van een aflossing tot een bedrag van de aflossingstermijn op de eerstvolgende eerste juli, alsmede dat als in enig jaar geen of geen volledige betaling van een aflossingstermijn was gedaan, het ontbrekende in de volgende jaren door versterkte aflossing zou worden aangevuld.
3.1.4.
Slotervaartziekenhuis heeft over de jaren 1997 tot en met 2007 de jaarlijks verschuldigde contractuele rente betaald.
3.1.5.
Uit de jaarrekening 2007 bleek Slotervaartziekenhuis een eigen vermogen te hebben van 5,6 miljoen euro. De gemeente Amsterdam heeft Slotervaartziekenhuis hierop verzocht om uiterlijk 1 juli 2008 tot betaling van de optelsom van zeven aflossingstermijnen (vanaf 1 juli 2002) van € 3.203.144,-- over te gaan.
3.1.6.
Slotervaartziekenhuis heeft geen betaling verricht.
3.1.7.
Tussen partijen heeft overleg plaatsgevonden over een mogelijke herstructurering van de lening. Dat overleg heeft niet tot resultaat geleid.
3.1.8.
Slotervaartziekenhuis heeft ook na dit overleg geen aflossingen gedaan, noch, vanaf 2008, contractuele rentebetalingen aan de gemeente Amsterdam verricht.
3.2.
De gemeente Amsterdam heeft Slotervaartziekenhuis (op 14 april 2011) gedagvaard en gevorderd, kort gezegd, dat Slotervaartziekenhuis zal worden veroordeeld tot betaling van het geleende bedrag van € 4.575.919,69, de verschuldigde contractuele rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2008, de wettelijke rente over de contractuele rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering van de gemeente Amsterdam met uitzondering van de tevens gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen.
3.3.
Slotervaartziekenhuis bestrijdt met grief I in de eerste plaats de verwerping door de rechtbank van haar stelling dat de leningsovereenkomst destijds namens Stichting Slotervaartziekenhuis is gesloten door onbevoegde bestuurders. Ter onderbouwing van die stelling heeft Slotervaartziekenhuis aangevoerd dat de desbetreffende bestuurders destijds ambtenaar waren van de gemeente Amsterdam althans bij de gemeente Amsterdam in dienst waren en dat dus sprake was een tegenstrijdig belang. Weliswaar is voor stichtingen geen met artikel 2:256 BW vergelijkbare bepaling in de wet opgenomen, maar een bestuurder pleegt in het geval van een tegenstrijdig belang als het onderhavige onbehoorlijk bestuur als hij een overeenkomst als de onderhavige leningsovereenkomst aangaat zonder voorafgaande goedkeuring van de Raad van Toezicht en/of de Ondernemingsraad. De gemeente Amsterdam was, aldus Slotervaartziekenhuis, van het bedoelde tegenstrijdig belang op de hoogte alsmede van het feit dat geen goedkeuring was gevraagd of verkregen van de Raad van Toezicht en de Ondernemingsraad. Door de leningsovereenkomst desalniettemin aan te gaan handelde de gemeente Amsterdam in strijd met de redelijkheid en billijkheid en is sprake van een overeenkomst in strijd met de wet, die dus nietig is. Voor zover dit laatste niet het geval is, kan de gemeente Amsterdam zich in redelijkheid niet op de overeenkomst beroepen althans is dat in strijd met de wet en de goede trouw, aldus steeds Slotervaartziekenhuis.
3.4.
Het hof verwerpt de grief om de volgende redenen. Voor het aannemen van een tegenstrijdig belang van Stichting Slotervaartziekenhuis met de bestuurders die destijds namens haar de leningsovereenkomst zijn aangegaan, is, indien dit al de consequenties zou moeten hebben die Slotervaartziekenhuis daaraan verbindt, onvoldoende gesteld. Dat de betrokken bestuurders als ambtenaar werkzaam waren althans in dienst waren van de gemeente Amsterdam, brengt niet reeds mee dat in het onderhavige geval gesproken kan worden van een tegenstrijdig belang en voert op zichzelf ook niet tot de conclusie dat, bij gebreke van voorafgaand verkregen goedkeuring van de Raad van Toezicht en/of ondernemingsraad, de bestuurders onbehoorlijk bestuur hebben gepleegd. Anders dan Slotervaartziekenhuis stelt, is onvoldoende gebleken dat de betrokken bestuurders “op eigen houtje” hebben geopereerd. Zoals ook de rechtbank heeft opgemerkt, is in de in het kader van de privatisering van het Slotervaartziekenhuis opgestelde overdrachtsakte vermeld dat de Raad van Toezicht de koop en aanvaarding van de activa en passiva behorende tot Slotervaartziekenhuis hebben goedgekeurd, is daarin de korte inhoud van de te sluiten leningsovereenkomst opgenomen en is die leningsovereenkomst in concept aan die akte als bijlage gehecht. Dat de ondernemingsraad geen goedkeuring heeft gegeven, kan evenmin de conclusie schragen dat de bestuurders onbehoorlijk bestuur hebben gepleegd of dat de leningsovereenkomst in strijd met de wet is aangegaan, aangezien niet gebleken is dat die goedkeuring door de ondernemingsraad gegeven had moeten worden. Indien de ondernemingsraad van mening zou zijn geweest dat advies had moeten worden gevraagd, had hij de rechter daaromtrent kunnen adiëren, hetgeen niet is gebeurd. Grief I faalt dus.
3.5.
Grief II heeft betrekking op het door de rechtbank verworpen beroep door Slotervaartziekenhuis op verjaring. Slotervaartziekenhuis heeft gesteld dat de vordering tot terugbetaling van de volledige lening of het nog niet afgeloste deel daarvan inmiddels is verjaard omdat uit artikel 4 van de leningsovereenkomst volgt dat de lening of de verschuldigde aflossingen van rechtswege volledig opeisbaar wordt indien Slotervaartziekenhuis haar verplichting niet of niet tijdig nakomt, dat zij ieder jaar (vanaf 1998) de rente te laat heeft betaald en bovendien vanaf 1 juli 2002 geen aflossingen heeft gedaan, en de verjaringstermijn die sindsdien is gaan lopen inmiddels is verstreken.
3.6.
Ook deze grief is tevergeefs voorgesteld. Slotervaartziekenhuis heeft naar onweersproken vast staat de facturen van de gemeente Amsterdam voor de verschuldigde rente over de jaren 1997 tot en met 2007 steeds voldaan. Met het betalen van de verschuldigde rente heeft Slotervaartziekenhuis van 1997 tot en met 2007 jaarlijks de schuld uit hoofde van de leningsovereenkomst jegens de gemeente Amsterdam erkend en daarmee de verjaring gestuit, als die al is gaan lopen. Daaraan doet niet af dat de betalingen van de contractuele rente door Slotervaartziekenhuis telkens te laat hebben plaatsgevonden. De verjaringstermijn is dus op zijn vroegst op 1 januari 2007 (toen de laatste rentebetaling plaatsvond) gaan lopen. De op 14 april 2011 uitgebrachte inleidende dagvaarding in deze zaak is dus tijdig uitgebracht. Slotervaartziekenhuis heeft niet aangevoerd dat de verjaring ondanks erkenning van de lening toch is ingetreden. Het beroep op verjaring van de rechtsvordering van de gemeente Amsterdam faalt derhalve en daarmee ook de grief.
3.7.
De conclusie uit het voorgaande is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Slotervaartziekenhuis moet als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.
4 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Slotervaartziekenhuis in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente Amsterdam begroot op € 4.836,-- aan verschotten en € 13.740,-- voor salaris advocaat en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, A.M.A. Verscheure en J.F.M. Strijbos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: