10/2581 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2010, 07/3642 en 08/1727 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I.G.J. van den Broek, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 10/2580. Appellante is vertegenwoordigd door haar directeur [naam directeur] en bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van den Broek.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1.1. [Naam werknemer] (hierna: de werknemer), was laatstelijk werkzaam bij appellante als servicemonteur en heeft zich op 9 mei 2005 ziek gemeld met klachten aan zijn rechter enkel.
1.2. Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin de werknemer jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens het Uwv een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.
1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 september 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is daarbij op basis van uitvoerig weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht en op goede gronden een loonsanctie heeft opgelegd.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij wel voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Zij heeft de werknemer de mogelijkheid gegeven om ervaring op te doen in de functie van werkvoorbereider/planner om uiteindelijk meer kans te maken op een dergelijke functie bij een andere werkgever. Na de uitval uit deze functie op 21 december 2006 had de werknemer volgens bedrijfsarts Spierings geen benutbare mogelijkheden. Dit medisch oordeel wordt achteraf gezien door het Uwv grotendeels onderschreven. De werknemer is immers per 5 mei 2008 in aanmerking gebracht voor een volledige WGA-uitkering. Van enige relevante belastbaarheid was op dat moment dus geen sprake. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat dit medisch oordeel begin 2007 van de bedrijfsarts destijds niet juist is geweest. Appellante heeft dan ook op basis van dit medische oordeel op goede gronden ervan uit mogen gaan dat de werknemer op dat moment niet meer kon re-integreren, noch in het eerste spoor, noch in het tweede spoor.
4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
4.2. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 20 maart 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 september 2007, er in het kort op neerkomend dat er geen duidelijk beeld was met betrekking tot de belastbaarheid en de re-integratie-mogelijkheden bij de eigen werkgever en dat bemiddeling naar het tweede spoor niet is ingezet.
4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Op basis van de beschikbare gegevens kan onder meer vastgesteld worden dat de werknemer vanaf datum uitval op 9 mei 2005 belastbaar was voor zittend werk zonder veel lopen en staan. Op 27 december 2005 heeft arbeidsdeskundige L. Linders onder meer geadviseerd activiteiten richting het tweede spoor op te starten. Hieraan is toen geen gevolg gegeven. Voorts staat vast dat de proefplaatsing in de in beginsel als passend geachte functie bij appellante van werkvoorbereider/planner die per 10 juli 2006 is gestart niet tot een definitieve werkhervatting heeft geleid omdat de werknemer op 21 december 2006 wegens rugklachten is uitgevallen. Appellante heeft vervolgens - zonder dat duidelijkheid bestond over de belastbaarheid van de werknemer - per 22 januari 2007 deze werkzaamheden beëindigd. Uit de brief van bedrijfsarts Spierings van 3 juni 2008 valt voorts af te leiden dat deze de werknemer - op aangeven van de werknemer wegens ernst van de rugklachten - tot het huisbezoek op 5 juni 2007 niet meer op het spreekuur heeft gezien en in overleg met de werkgever de re-integratieactiviteiten voor de werknemer “on hold” heeft gezet. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 16 januari 2008 dat de conclusie van bedrijfsarts Spierings in januari/februari 2007 dat de werknemer vooralsnog op termijn van 26 weken geen duurzame mogelijkheden heeft waarschijnlijk alleen op telefonische melding is gebeurd, hetgeen niet zorgvuldig is. De bezwaarverzekeringsarts wijst er daarbij voorts op dat de conclusie van de bedrijfsarts gelet op de informatie van de orthopeed van 8 oktober 2007 over onderzoek op 7 augustus 2007 ook medisch niet te onderbouwen is. Er is sprake van een waarschijnlijk symptomatische discopathie L4-L5, waarmee volgens de bezwaarverzekeringsarts passend, rugsparend werk mogelijk is. De Raad ziet geen aanleiding om deze conclusie in twijfel te trekken.
Gelet hierop was er voor het stopzetten van de re-integratie-inspanningen - die op dat moment reëel uitzicht boden op re-integratie in het eerste spoor - dan ook geen reden. Dat appellante verder geen actie heeft ondernomen omdat zij vertrouwde op het oordeel van haar bedrijfsarts, leidt de Raad niet tot een ander oordeel gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever in dezen (vgl. de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713). Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat hiervoor geen deugdelijke grond aanwezig is.
4.5. Naar aanleiding van het standpunt van appellante dat werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft, omdat aan hem op basis van dezelfde medische gegevens met ingang van 5 mei 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 september 2010, LJN BN8780, dat deze beoordeling achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan in dit geding aan de orde. Daaruit kunnen derhalve geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de beantwoording van de vraag of appellante in de hier relevante periode voldoende
re-integratie-inspanningen heeft verricht.
4.6. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voorzover deze betreft het oordeel van de rechtbank over het besluit van het Uwv van 20 september 2007 dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover betreffende het oordeel van de rechtbank over het besluit van 20 september 2007.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
KR