Bij vonnis van 7 februari 2012 is [bouwbedrijf] B.V. ([bouwbedrijf]) op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Bij vonnissen van 6 maart 2012 zijn de aan deze onderneming gelieerde vennootschappen eveneens in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft in een e-mail van 8 februari 2012 aan de curator aangegeven dat hij optreedt namens één van de crediteuren van [bouwbedrijf] en dat zijn cliënt van mening is dat hij door de directie van [bouwbedrijf] is misleid. Op 16 maart 2012 heeft de curator het eerste faillissementsverslag uitgebracht.
Bij brief van 19 april 2012 heeft appellant zich tot een aantal (grote) crediteuren in het faillissement van [bouwbedrijf] gewend. Appellant heeft in deze brief onder meer vermeld:
“Het eerste faillissementsverslag van de curator hebben wij zorgvuldig doorgenomen en wij zijn op zijn zacht gezegd niet tevreden met de manier waarop hij de belangen van U, de concurrente crediteuren, tot op heden heeft behartigd.
Hij is zeer onzorgvuldig te werk gegaan en deze uitspraak kunnen wij met goede argumenten onderbouwen (…)
Het zal u duidelijk zijn dat het, op basis van deze informatie, reëel is om te veronderstellen dat U geen uitkering meer kan verwachten uit dit faillissement als U deze curator zijn werk laat doen.
Wij hebben ons verdiept in dit faillissement en zien mogelijkheden om Uw vordering volledig terug te kunnen krijgen. (…)”
Appellant heeft zich met een soortgelijke brief van 2 mei 2012 gewend tot een aantal (kleine) crediteuren.
Bij brieven van 15 en 23 mei 2012 heeft appellant de rechtbank ’s-Hertogenbosch verzocht om de curator te doen vervangen. In deze brieven beschuldigt appellant de curator van “onvoorstelbaar onzorgvuldig handelen”.
Een e-mail van appellant van 23 mei 2012 aan de gemachtigde van de curator bevat onder meer de volgende passage:
“Wij zijn van mening, dat de curator tot op heden onvoorstelbaar onzorgvuldig heeft gehandeld en absoluut niet het belang van concurrente crediteuren heeft gediend.”