Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4659

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2015
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
AWB 15-5022 en 15-5023
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1492, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1494, Overig
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde asielaanvraag van door het Internationaal Strafhof vrijgesproken Congolese vreemdeling.

Herhaalde asielaanvraag van een in hoger beroep door het Internationaal Strafhof vrijgesproken Congolese verdachte. Toezegging hoorambtenaar de zaak in de GVA af te doen mocht, gegeven het feitelijk verloop in dit specifieke geval, worden teruggedraaid. Ook de inhoud van de zaak op zichzelf rechtvaardigt geen GVA-afdoening, zodat de aanvraag in de AA kon worden behandeld. Geen nova. Met toepassing van artikel 8:86 Awb wordt het beroep ongegrond verklaard, de vovo wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/5023 (voorlopige voorziening)

AWB 15/5022 (bodem)

[V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2015 in de zaak tussen

[verzoeker]

geboren op [geboortedag] 1970, van Kongolese nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingen-wet (Vw) 2000 afgewezen. Ook heeft verweerder tegen verzoeker een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 9 maart 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 9 maart 2015 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig J.E.L.M. Bongaerts en V.M. Corcelle, tolken in de Franse taal.

Overwegingen

Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Partijen zijn op deze bevoegdheid gewezen.

Verzoeker is op 18 december 2012 vrijgesproken door de Trial Chamber van het Internationaal Strafhof (ISH). Nadien heeft hij op 25 december 2012 een asielaanvraag ingediend, welke bij besluit van 1 juli 2013 is afgewezen, omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Ook heeft verweerder geoordeeld dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet aan terugkeer van verzoeker naar de Democratische Republiek Congo (DRC) in de weg staat. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 mei 2014 gegrond verklaard (AWB 13/16949). Bij uitspraak van 15 oktober 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het in die zaak ingestelde beroep ongegrond verklaard (nr. 201405219/1V1). Verzoeker heeft de Afdeling op 12 februari 2015 verzocht de uitspraak van 15 oktober 2014 te herzien. De Afdeling heeft dit verzoek op 12 maart 2015 afgewezen. Verzoeker heeft daarnaast het Europees Hof voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) op 26 februari 2015 verzocht een interim measure te treffen. Dit verzoek is op 27 februari 2015 afgewezen.

Bij uitspraak van 27 februari 2015 van de Appeals Chamber van het ISH is verzoeker ook in hoger beroep vrijgesproken en voorts besloten verzoeker niet op te nemen in het getuigen-beschermingsprogramma van het ISH. Verzoeker is aansluitend naar luchthaven Schiphol overgebracht om naar de DRC te worden terug gevlogen. Daar heeft hij op 27 februari 2015 een herhaalde asielaanvraag ingediend.

Toezeggingen ten aanzien van een (gesloten) verlengde asielprocedure

1. Verzoeker stelt zich in de eerste plaats met een beroep op het vertrouwensbeginsel op het standpunt dat verweerder zijn zaak ten onrechte in de Algemene Asielprocedure (hierna: AA-procedure) heeft afgedaan. Volgens verzoeker had de Gesloten Verlengde Asielprocedure (hierna: GVA-procedure), dan wel de Verlengde Asielprocedure moeten worden gevolgd, nu de bevoegde hoorambtenaar hem dat tijdens het nader gehoor op 5 maart 2015 heeft toegezegd. Dit is ten onrechte later van hogerhand weer teruggedraaid, aldus verzoeker. Vanwege de gang van zaken op 5 en 6 maart 2015 is het zijn gemachtigde onmogelijk gemaakt om op 6 maart 2015 het rapport van het gehoor na te bespreken met verzoeker en daar middels correcties en aanvullingen op te reageren.

2.1

Bij de beoordeling van verzoekers stelling dat de zaak zich niet leent voor AA-afdoening maakt de voorzieningenrechter een onderscheid tussen enerzijds de vraag of verweerder gebonden was aan een toezegging door de hoorambtenaar - het beroep op het vertrouwensbeginsel - en anderzijds de vraag of de zaak zelf, gelet op de inhoud daarvan, geschikt was voor behandeling in de AA. Bij de beoordeling van verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel betrekt de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden. Op 5 maart 2015 heeft het nader gehoor inzake de herhaalde asielaanvraag plaatsgevonden bij het Aanmeldcentrum Schiphol, vanaf 11.30 uur. Tijdig voordien heeft de gemachtigde van verzoeker aan de IND meegedeeld dat hij om 16.00 uur een uitvaart in Utrecht moest bijwonen. Het gehoor is afgenomen door hoorambtenaar [persoon 1] (hierna: [persoon 1]). [persoon 1] heeft het gehoor meerdere keren onderbroken om overleg te voeren met mevrouw [persoon 2 ], [functie] bij de IND en ‘verantwoordelijke van de dag’ (hierna: [persoon 2 ]). [persoon 2 ] heeft tijdens het gehoor ruggenspraak gehouden met de juridische afdeling van de IND, onder meer over de vraag of de zaak van verzoeker verder in de GVA-procedure zou moeten worden behandeld, zoals de gemachtigde uitdrukkelijk wenste. Naar aanleiding van dit intern overleg heeft [persoon 2 ] drie opties voor de verdere afdoening met de gemachtigde besproken. Eén van de opties was dat de zaak in de GVA-procedure zou worden behandeld, onder de voorwaarde dat werd afgezien van een beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel voor verzoeker. De gemachtigde heeft deze optie, alsook de twee andere opties afgewezen. Het nader gehoor kon niet op de gebruikelijke wijze worden afgerond, omdat de gemachtigde moest vertrekken vanwege de uitvaart. [persoon 1] heeft daarbij aangegeven nog wat nadere vragen te willen stellen, maar de gemachtigde wilde niet dat het gehoor werd voortgezet buiten zijn aanwezigheid. Voordat de gemachtigde vertrok, is hem door [persoon 2 ] zonder nadere voorwaarden toegezegd dat de procedure verder in de GVA zou worden behandeld en dat er op 10 maart 2015 een aanvullend gehoor zou plaatsvinden, waarover nog nadere afspraken zouden worden gemaakt. Vervolgens is de gemachtigde vertrokken.

2.2

Diezelfde dag om 20.00 uur is er door [persoon 3], [functie] van de IND (hierna: [persoon 3]), telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde en, toen deze telefonisch niet bereikbaar bleek, een voicemailbericht achtergelaten met de mededeling dat de GVA-beslissing was teruggedraaid en dat de aanvraag alsnog verder in de AA-procedure zou worden behandeld. Tevens heeft verweerder in de avond van 5 maart 2015 het verslag van het nader gehoor, voorzien van een aanbiedingsbrief van [persoon 3], aan de gemachtigde gefaxt. De gemachtigde heeft het voicemailbericht op 5 maart 2015 rond 23.00 uur afgeluisterd. Hij heeft het verslag van het nader gehoor, voorzien van de aanbiedingsbrief van [persoon 3], op 6 maart 2015 om 9.15 uur in goede orde ontvangen, nadat verweerder dit opnieuw aan hem had gefaxt.

2.3

[persoon 3] heeft in zijn aanbiedingsbrief - voor zover relevant - vermeld dat de toezegging de aanvraag alsnog in de GVA-procedure te behandelen onterecht is gedaan en derhalve wordt ingetrokken, omdat de medewerker van de IND heeft ingestemd zonder dat zij de expliciete toestemming van de ambtelijke leiding had verkregen, zoals intern vooraf was afgesproken. Dit gold eveneens voor de toezegging een aanvullend gehoor af te nemen. De reden om terug te komen op die eerdere mededeling is dat er geen juridische grondslag bestond de aanvraag in de GVA-procedure af te handelen, omdat geen van de redenen voor verwijzing, genoemd in paragraaf C1/2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 aan de orde is en het rapport van gehoor, in combinatie met de overige feiten en omstandigheden die uit het departementale dossier blijken, voldoende zijn om de asielaanvraag te kunnen beoordelen. De gemachtigde wordt uitgenodigd op 6 maart 2015 eventuele correcties en aanvullingen in te sturen.

2.4

De gemachtigde heeft geen correcties en aanvullingen op het nader gehoor van

5 maart 2015 ingediend. Op 6 maart 2015 heeft nog een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen gemachtigde en [persoon 3]. Vervolgens heeft verweerder op 7 maart 2015 een voornemen uitgebracht, waarop de gemachtigde bij zienswijze van 8 maart 2015 heeft gereageerd.

3. Verweerder stelt voorop dat de AA-procedure de gebruikelijke procedure is en de GVA-procedure de uitzondering op de regel. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de verantwoordelijke van de dag normaliter bevoegd is te beslissen of een zaak verder in de GVA-procedure zal worden behandeld. Vanwege het bijzondere karakter van deze zaak, gelet op de betrokkenheid van het ISH en de herhaald geuite wens van de gemachtigde de zaak in de GVA te behandelen, is er voorafgaand aan het gehoor aan [persoon 1] en [persoon 2 ] uitdrukkelijk meegedeeld dat alle relevante beslissingen over de procedurele gang van zaken tijdens het gehoor vooraf met de juridische afdeling van de IND moesten worden afgestemd. Daarmee was de beslissingsbevoegdheid van [persoon 2 ] in deze specifieke zaak intern beperkt. [persoon 2 ] heeft in weerwil van deze instructie en zonder nader overleg de ongeclausuleerde toezegging gedaan dat deze zaak verder GVA zou worden behandeld. Deze procedurele beslissing is diezelfde dag nog gemotiveerd teruggedraaid. In de visie van verweerder was er met het verslag van het nader gehoor voldoende informatie beschikbaar om op verantwoorde wijze binnen de AA-procedure op de aanvraag te beslissen. Een noodzaak voor verdergaand onderzoek dat een GVA rechtvaardigde, ontbrak. Ook heeft [persoon 1] aangegeven dat de vragen die hij nog had willen stellen niet noodzakelijk waren voor de afdoening van de aanvraag. Dat de gemachtigde niet de gelegenheid heeft gehad om nog een nadere toelichting te geven aan het einde van het gehoor kan geen reden op zich zijn de aanvraag in de GVA-procedure af te doen. Hij had deze toelichting ook achteraf in de correcties en aanvullingen of in de zienswijze kunnen geven, zo stelt verweerder.

4.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat de interne afspraken over beperking van de bevoegdheid de zaak naar de GVA te verwijzen niet – zonder meer – kenbaar waren voor de gemachtigde. Deze mocht er dan in beginsel ook op vertrouwen dat [persoon 1] en [persoon 2 ] namens verweerder die beslissing konden nemen. De gemachtigde heeft de stelling dat voor een GVA-verwijzing geen aanleiding bestond, nu geen van de in de paragraaf C1/2.4 van de Vc 2000 genoemde redenen aan de orde was, echter niet inhoudelijk betwist. GVA-verwijzing is geen op rechtsgevolg gericht besluit of een bindend rechtsoordeel, maar een processuele beslissing in een lopende procedure. Verweerder heeft de gemachtigde er zo snel mogelijk op 5 maart 2015 telefonisch en per fax van op de hoogte gesteld dat de procedurele stap de zaak verder in de GVA te behandelen, onterecht en onnodig was en werd teruggedraaid. Niet is gebleken dat de gemachtigde in de tussengelegen periode handelingen heeft verricht of nagelaten die samenhangen met het gewekte vertrouwen dat de zaak GVA zou gaan. Nadat het nader gehoor rond 15:00 uur is stopgezet, heeft verweerder de gemachtigde om 20.00 uur diezelfde avond telefonisch van zijn herziene beslissing op de hoogte gesteld, waarbij hij er redelijkerwijs vanuit kon gaan dat de gemachtigde in ieder geval vanaf 16.00 uur niet beschikbaar zou zijn vanwege de uitvaart. Dat de gemachtigde dit bericht eerst om 23.00 uur diezelfde avond heeft beluisterd, valt verweerder niet aan te rekenen. Ook is het verslag van het gehoor diezelfde avond en opnieuw de volgende ochtend aan het kantoor van de gemachtigde gefaxt ten behoeve van de correcties en aanvullingen.

4.2

Dat [persoon 3] zonder enige inhoudelijke kennis van het dossier niet kon beslissen over een GVA- dan wel AA-behandeling, zoals verzoeker stelt, volgt de voorzieningenrechter niet. [persoon 3] heeft zich, zo blijkt uit de aanbiedingsbrief, gericht op aanknopingspunten voor GVA-verwijzing op basis van de in de Vc 2000 genoemde criteria. Uit de geschetste gang van zaken op 5 maart 2015 is voldoende duidelijk dat [persoon 3] zich door [persoon 1] en [persoon 2 ] heeft laten informeren over de inhoud en het verloop van het gehoor, de relevante feiten uit het dossier en hun redenen de zaak naar de GVA te verwijzen, waarbij hij hen de vraag zal hebben voorgelegd op welke juridische grondslag de GVA was gebaseerd. Uit het antwoord heeft hij afgeleid dat die er niet was. Dit kan ook zonder de details te kennen van het dossier.

4.3

Dat de gemachtigde in de auto op weg naar de uitvaart afspraken zou hebben gepland voor de volgende dag, 6 maart 2015, is niet van doorslaggevend belang, nu niet is gebleken dat hij deze (gestelde) afspraken niet meer zou kunnen afzeggen. Bovendien was het verslag van het gehoor van 5 maart 2015 niet omvangrijk, is de gemachtigde persoonlijk aanwezig geweest bij dit gehoor waar hij bovendien, gelet op het verslag, vooral zelf veel naar voren heeft gebracht. Verzoeker zelf heeft tijdens het nader gehoor tot twee keer toe aangegeven dat hij alles heeft gezegd wat in zijn ogen van belang was voor zijn herhaalde asielaanvraag, terwijl [persoon 1], zoals hij achteraf volgens [persoon 3] heeft verklaard, verder geen inhoudelijke vragen had over het relaas. Voor zover de gemachtigde nog heeft aangegeven dat hem de gelegenheid is ontnomen afrondende opmerkingen tijdens het gehoor te maken, heeft hij daartoe bij de correcties en aanvullingen gelegenheid gehad. Van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

4.4

Hoewel de gemachtigde heeft aangegeven dat hij op 6 maart 2015 geen ruimte had voor het nabespreken van het verslag en het opstellen van correcties en aanvullingen, constateert de voorzieningenrechter dat hij wel gelegenheid heeft gevonden om die dag een gemotiveerd verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen tegen de beslissing de aanvraag niet meer in de GVA te behandelen, welk verzoek overigens bij uitspraak van de voorzieningen-rechtbank van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van

6 maart 2015, niet-ontvankelijk is verklaard (AWB 15/4692).

5. De voorzieningenrechter komt, het vorenstaande in ogenschouw nemende, tot de conclusie dat verzoeker niet uitsluitend vanwege het gewekte vertrouwen aanspraak kon (blijven) maken op het alsnog afdoen van zijn zaak in de GVA. Daarvoor is bepalend het korte tijdverloop tot het moment waarop de procesbeslissing is teruggedraaid, dat niet is gebleken dat verzoeker niet (meer) in de gelegenheid was de AA-procedure te hervatten en correcties en aanvullingen in te dienen, dat niet aannemelijk is gemaakt dat essentiële informatie niet naar voren kon worden gebracht in het nader gehoor, dat verzoeker niet heeft betwist dat geen van de in de Vc 2000 genoemde redenen voor GVA-verwijzing van toepassing was, alsmede de omstandigheid dat ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat verzoeker onevenredig in zijn belangen is geraakt. Zijn uitdrukkelijke wens naar de GVA te gaan, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Samenvattend leidt deze gang van zaken, hoewel die uitdrukkelijk niet de schoonheidsprijs verdient, niet tot het oordeel dat reeds hierom het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat er aanleiding bestaat een voorziening te treffen. De vraag of de zaak van verzoeker zich inhoudelijk leende voor een afdoening in de AA, zal in het navolgende verder aan de orde komen, waarbij de voorzieningenrechter allereerst de gestelde nova zal beoordelen.

De aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden

6.1

Verzoeker heeft eerder een asielaanvraag ingediend, die is afgewezen. Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, als na een afwijzend besluit een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Bij de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag dient de rechter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling direct te treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is, nog steeds volgens de vaste jurisprudentie, toch geen sprake van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat wat is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Dit is slechts anders, als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van

19 februari 1998 zaak 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

6.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit materieel vergelijkbaar is met het besluit van verweerder van 1 juli 2013 op verzoekers eerdere asielaanvraag, zodat het hiervoor beschreven toetsingskader van toepassing is.

Relevantie van het VWU onderzoek voor de aanvraag
7. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder teveel gewicht heeft toegekend aan het eigen onderzoek van de Victims and Witness Unit (VWU) van het ISH naar de noodzaak verzoeker op te nemen in het getuigenbeschermingsprogramma, waarin is geconcludeerd dat verzoeker naar de DRC kan terugkeren. In dit onderzoek is een terughoudender toets aangelegd in het kader van artikel 3 EVRM dan in het kader van de onderhavige asielprocedure is vereist. Daardoor kan aan de bevindingen van de VWU geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, aldus verzoeker. Verweerder heeft aangegeven dat hij onafhankelijk van het VWU een eigen verantwoordelijkheid heeft in de beoordeling van eventuele 3 EVRM- risico’s voor verzoeker. Nu dit laatste tussen partijen niet in geschil is, neemt de voorzieningenrechter dit bij de beoordeling tot uitgangspunt.

De 1F-tegenwerping

8.1

Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat de vrijspraak van 27 februari 2015 door de Appeals Chamber van het ISH een novum is dat dient te leiden tot heroverweging van de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Bij het ISH stond verzoeker in eerste aanleg en in hoger beroep uitsluitend terecht voor zijn vermeende betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd tijdens de aanval op het dorp Bogoro in Ituri, DRC, op 24 februari 2003. Aan de tegenwerping van artikel 1F ligt ten grondslag dat verzoeker vanaf maart tot oktober 2003 een [functie] functie had binnen de alliantie tussen de FRPI en het FNI en dat verzoeker van 2005 tot oktober 2006 een leidinggevende functie had binnen de MRC. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 15 oktober 2014 overwogen dat de vrijspraak door de Trial Chamber van het ISH onverlet laat dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat verzoeker in de periode na de aanval op Bogoro als leidinggevende betrokken is geweest bij andere ernstige misdrijven.

8.2

De tegenwerping door verweerder van artikel 1F is dus gebaseerd op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in een ander tijdvak dan de gebeurtenissen waarvoor verzoeker terecht stond bij het ISH. Verzoeker heeft tegen deze achtergrond desgevraagd ook niet kunnen aangeven waarom de strafrechtelijke vrijspraak door het ISH een rechtens relevant novum oplevert met betrekking tot hetgeen in de asielrechtelijke procedure is tegengeworpen in het kader van artikel 1F. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat de uitspraak van het ISH van 27 februari 2015 geen ander licht werpt op de tegenwerping van artikel 1F, geen aanleiding geeft tot een hernieuwde afweging en in die zin dan ook geen relevant novum is.

De bevolkingsgroepen in Ituri

9.1

Verzoeker stelt dat de vrijspraak in appel heeft geleid tot verontwaardiging onder de Hema en Ngiti bevolkingsgroepen in Ituri in de DRC. Deze groepen waren het slachtoffer tijdens de gebeurtenissen in Bogoro, waarvoor verzoeker terecht stond. Vanwege deze verontwaardiging vreest verzoeker door deze groepen aan een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM te worden blootgesteld bij terugkeer naar de DRC. Ook in zijn eerste asielaanvraag heeft verzoeker deze vrees geuit. Als nova heeft hij thans een emailbericht van 2 maart 2015 van [persoon 4], één van de advocaten van verzoekers defence team in de procedure voor het ISH, overgelegd. Zij schrijft dat een pastoor [persoon 5] uit [plaatsnaam], DRC, haar heeft geïnformeerd dat de reacties van de Hema-gemeenschap op de vrijspraak timide zijn, terwijl die van de Ngiti-gemeenschap sterker zijn. Deze laatste groep is het niet eens met de beslissing van het ISH, omdat zij vinden dat de heer [persoon 6] ook had moeten worden vrijgelaten. Tevens heeft verzoeker verwezen naar krantenartikelen, van recente datum, waaronder “The acquittal that discredits the ICC”, uit het tijdschrift “Enjeux de l’heure”, waaruit zou blijken van verontwaardiging en wraakgevoelens onder de bevolking. Op 15 april 2015 heeft verzoeker verder nog gewezen op een aantal weblinks met recente berichten in de media naar aanleiding van de vrijspraak.

9.2

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de e-mail van 4 maart 2015 naar voren komt dat de Hema timide hebben gereageerd, terwijl de heftiger reactie van de Ngiti samenhangt met de omstandigheid dat de heer [persoon 6] niet is vrijgesproken. Daarmee biedt dit stuk geen enkel concreet aanknopingspunt dat verzoeker nu wel heeft te vrezen voor deze groepen. Ook uit de overgelegde krantenberichten blijkt niet van op verzoeker gerichte kritiek of enig voornemen tot tegen hem gerichte actie. De weblinks naar de publicaties sinds de vrijspraak onderbouwen evenmin de vrees, nu het veelal om neutrale berichtgeving van het proces in hoger beroep gaat en de uitkomst daarvan. Deze stukken vormen dan ook geen rechtens relevante nova, die een nieuwe inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen.

Het regime van President Kabila

10.1

Verzoeker voert verder opnieuw aan dat hij heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM door het regime van president Kabila en zijn hoge militairen, omdat verzoeker tijdens de procedure bij het ISH beschuldigingen heeft geuit aan hun adres en staats- en militaire geheimen heeft geopenbaard, onder meer uit de brief van [persoon 7] van 23 november 2011 (hierna: de [persoon 7]-brief). Tevens heeft hij verwezen naar de door hem overgelegde brief van Amnesty International (Amnesty) van 7 april 2015, waaruit volgens hem blijkt dat hij zal worden gedetineerd bij terugkomst in de DRC.

10.2

De brief van Amnesty is van na verzoekers eerste asielprocedure. In de brief is, voor zover relevant, het volgende vermeld.

“Amnesty International has been asked for its opinion on the state of human rights protections in DRC in the context of [verzoeker]’s possible imminent return, should the Netherlands deny his asylum claim. While Amnesty International is unable to comment on the specific facts and allegations that face [verzoeker] if he is returned to the DRC (and the likelihood of his arrest and trial), the organization has long-standing concerns about the ubiquity of torture, flagrantly unfair trials and the imposition of the death penalty in the DRC.

[…]

We understand, and have no reason to doubt, that [verzoeker] has reasonable grounds to fear that he will be detained and face trail (possible before military courts) when he is returned to the DRC.”

10.3

In deze brief geeft Amnesty aan bezorgd te zijn over de mensenrechtensituatie in de DRC in het algemeen, maar wordt ook expliciet aangegeven dat geen inschatting kan worden gemaakt van de individuele risico’s die verzoeker persoonlijk loopt bij terugkeer naar de DRC. Dat Amnesty heeft begrepen dat verzoeker zou vrezen te worden gearresteerd en geen reden heeft daaraan te twijfelen, zijn geen eigen bevindingen van Amnesty maar betreffen een reactie op informatie die Amnesty - blijkbaar - is aangereikt. Van een eigen onderzoek of risico analyse naar de gevaren voor verzoeker blijkt niet. Buiten een algemene schets van de zorgwekkende situatie in de DRC bestaan daarvoor geen aanknopingspunten. Ook blijkt niet dat een dergelijk op de persoon van verzoeker gericht onderzoek loopt of aanstaande is. Daarmee is uitgesloten dat de inhoud van dit document ten aanzien van verzoekers gestelde individuele vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM relevantie heeft. Hoewel het van recente datum is, betreft het om die reden geen rechtens relevant novum.

10.4

Ten aanzien van het openbaren van informatie uit de [persoon 7]-brief en de getuigenis van verzoeker over de rol van het regime van Kabila bij de gebeurtenissen in Ituri voor het ISH, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Deze omstandigheden heeft verzoeker ook al tijdens zijn eerste asielprocedure aangevoerd. Verzoeker heeft overigens niet betwist dat het publiek maken van deze brief niet nieuw is en dat deze informatie ook door anderen in de openbaarheid is gebracht, zonder dat is gebleken dat dit voor hen bij terugkeer in de DRC negatieve gevolgen heeft gehad. Van rechtens relevante nova ten opzichte van de eerdere asielbeoordeling is dan ook geen sprake.

10.5

Voor zover verzoeker ter onderbouwing van zijn herhaalde asielaanvraag nog heeft verwezen naar de drie getuigen van het ISH, die na terugkeer zijn gedetineerd in de DRC, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Verzoeker heeft niet heeft weersproken dat deze getuigen niet vanwege hun getuigenis bij het ISH in de problemen zijn gekomen. Zij zijn overgedragen aan het ISH om hun getuigenis af te leggen en zijn vervolgens aan de DRC terug overgedragen, omdat zij aldaar - in tegenstelling tot verzoeker – nog terecht dienden te staan. Dat vormde dan ook de grondslag voor hun huidige detentie. Het verloop van hun rechtszaak in de DRC en hun detentieomstandigheden, wat daar ook van zij, geeft dan ook geen gerechtvaardigde grond voor verzoekers vrees dat hem eenzelfde lot te wachten staat. Daarvoor zijn geen objectieve nieuwe feiten of stukken aangevoerd.

10.6

De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker er niet in is geslaagd met nieuwe stukken, feiten of omstandigheden een nieuwe inhoudelijke toets van zijn herhaalde vrees voor het regime Kabila te rechtvaardigen.

Desertie / dienstontduiking / refugee sur place

11.1

Verzoeker heeft verder stukken ingebracht die zijn vrees moeten onderbouwen dat hem, als hoge legerofficier in de DRC een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM wacht vanwege zijn onderhavige asielaanvraag. Deze zal, aldus verzoeker, worden opgevat als een daad van dienstontduiking of desertie. Verzoeker is daarmee refugee sur place. Verzoeker heeft in dit kader verwezen naar een mail van [persoon 8], door verzoeker aangemerkt als zijn hoofdverdediger, waaruit zou blijken dat hij bij zijn geplande terugkeer in de DRC op 27 februari 2015 zou worden opgewacht op het vliegveld van Kinshasa door kolonel [persoon 9]. Tevens heeft hij gewezen op het feit dat [persoon 4] in haar email van 2 maart 2015 er melding van heeft gemaakt dat kolonel [persoon 10] (of [persoon 10]), die onderdeel uitmaakt van het veiligheidsapparaat van president Kabila, heeft gewaarschuwd dat verzoeker, vooral in de huidige pre-verkiezingstijd, niet naar de DRC kan terugkeren.

11.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit deze nieuwe stukken niet dat verzoeker alleen al vanwege zijn (herhaalde) asielaanvraag in zijn hoedanigheid van militair gezien zal worden als deserteur of dienstontduiker en op die grond een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Die vrees volgt niet uit de omstandigheid dat verzoeker bij aankomst in de DRC zou worden opgewacht door kolonel [persoon 9]. In de eerste plaats heeft verweerder ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat deze kolonel de vaste contactpersoon is van het ISH in de DRC en in die hoedanigheid is benaderd om verzoeker te assisteren bij zijn terugkeer en te waarborgen dat verzoeker de DRC kan inreizen, omdat verzoeker niet over de vereiste reisdocumenten beschikt. Verder heeft verweerder onbetwist gesteld dat kolonel [persoon 9] verzoeker vanaf zijn overstap in Nairobi zou vergezellen en dus niet in Kinshasa zou opwachten. Het door verzoeker overgelegde bericht van [persoon 8] weerspreekt deze uitleg niet. Ook verzoeker en zijn gemachtigde zelf hebben verweerders toelichting niet weerlegd.

11.3

In de email van [persoon 4] van 2 maart 2015 heeft zij aangegeven dat een kolonel [persoon 10] verzoeker waarschuwt dat hij niet naar de DRC terug moet komen tijdens het bewind van Kabila, zeker niet in de onrustige voorverkiezingstijd. Zij heeft hem gevraagd dit zelf op te schrijven en kolonel [persoon 10] heeft beloofd dat te doen. De voorzieningenrechter stelt vast dat een door kolonel [persoon 10] zelf opgestelde brief tot op de zitting niet is verkregen en dat verzoeker ook niet kan aangeven of deze nog komt. Verweerder heeft benadrukt dat de mail van [persoon 4] niet kan worden gezien als een objectief en verifieerbaar stuk. Zonder toelichting van de gestelde mededeling van [persoon 10] kan daaraan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, aldus verweerder. De voorzieningenrechter merkt op dat een context of toelichting bij de gestelde opmerking van kolonel [persoon 10] ontbreekt. Ook [persoon 4] heeft dat niet nader toegelicht, hoewel zij in contact stond met verzoeker. Dat het kolonel [persoon 10] is geweest, dat hij dit heeft verklaard en wat hij daarmee heeft beoogd valt daardoor niet te verifiëren. Zo valt daaruit niet af te leiden wat voor verzoeker de reden is om weg te moeten blijven. Dat verweerder “kolonel [persoon 10]” had kunnen Googlen, zoals de gemachtigde ter zitting heeft verklaard, is daartoe onvoldoende. Overigens had verzoeker dit dan ook kunnen doen en zijn bevindingen naar aanleiding van het voornemen of in de onderhavige procedure kunnen inbrengen, gelet op verweerders twijfels daaromtrent. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de mededeling in de email geen grond biedt om in weerwil van het ne bis in idem-beginsel de door verzoeker herhaalde vrees opnieuw inhoudelijk te beoordelen.

11.4

Dat verzoeker los van het vorenstaande reeds vanwege het indienen van een asielaanvraag heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, en als zodanig refugee sur place is, is geheel niet onderbouwd. Noch het ambtsbericht terzake van de DRC van de minister van Buitenlandse Zaken, noch andere openbare bronnen geven aanknopingspunten voor een dergelijk risico. Ook verzoeker kon ter zitting deze kale stelling niet nader onderbouwen met enig stuk of andere (openbare) bron. Reeds gelet hierop kan dit betoog niet leiden tot het door verzoeker gewenste resultaat.

Conclusie ten aanzien van de nova

12. De voorzieningenrechter concludeert, gelet op het vorenstaande, dat geen van de door verzoeker aangevoerde argumenten of stukken als rechtens relevant novum kan worden aangemerkt, zodat geen rechtvaardiging bestaat zijn herhaald asielrelaas alsnog opnieuw aan een inhoudelijke rechterlijke toets te onderwerpen.

Bahaddar/Arguable claim

13. Dat in deze zaak, los van het hiervoor geschetste nationaalrechtelijk toetsingskader, desondanks sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar, is niet concreet gesteld noch anderszins gebleken. Verzoekers beroep op dit arrest slaagt dan ook niet.

Nieuw voornemen

14. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat verweerder een nieuw voornemen had moeten uitbrengen omdat in het voornemen niet alle standpunten en stukken die zijn overgelegd kenbaar zijn betrokken. Verweerder is in het voornemen afdoende ingegaan op de gestelde nova en hetgeen overigens is aangevoerd, terwijl in het bestreden besluit voldoende is gereageerd op hetgeen verzoeker daarover in de zienswijze aan nieuwe standpunten naar voren heeft gebracht.


Inhoudelijke beoordeling keuze voor AA- of GVA-procedure

15.1

Zoals hiervoor is overwogen, bestond er geen grond om uitsluitend vanwege de gedane toezegging vast te houden aan een GVA-procedure. Dat laat evenwel onverlet dat de inhoud van de zaak zelf ook aanleiding kan geven voor die keuze. Ten aanzien van de vraag of verzoekers herhaald asielverzoek zich inhoudelijk wel leende voor gekozen afdoening in de AA-procedure, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

15.2

Op grond van artikel 3.110, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 zijn voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, in een Aanmeldcentrum acht dagen beschikbaar.

Op grond van artikel 3.110, tweede lid, van het Vb 2000 kan verweerder de in het eerste lid genoemde termijn verlengen. In dat geval zijn voor het onderzoek in een Aanmeld-centrum ten hoogste veertien dagen beschikbaar.

Op grond van artikel 3.115, eerste lid, van het Vb 2000 kan verweerder de in artikel 3.110, eerste lid, van het Vb 2000 genoemde termijn verlengen:

a. (…);

b. (…);

c. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is;

d. indien de vreemdeling zijn eerder tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult; of

e. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek noodzakelijk is naar omstandigheden die verband houden met de gronden, bedoeld in de artikelen 3.6a, eerste lid, en 6.1e.

15.3

In paragraaf C1/2.3 van de Vc 2000 is voor zover relevant het volgende vermeld.

“De algemene asielprocedure

Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 3.112 tot en met 3.115 Vb.

De IND behandelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure als geen tijdrovend onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.

Tijdrovend onderzoek is onderzoek waarbij de resultaten van het onderzoek niet tijdens de algemene asielprocedure verwacht worden.

De IND beoordeelt of de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure of verlengde asielprocedure plaatsvindt, nadat in de algemene asielprocedure een nader gehoor van de vreemdeling is afgenomen en de IND de vreemdeling de dag erna in de gelegenheid heeft gesteld correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen.

Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing, die zijn beschreven in paragraaf C1/2.4 Vc.

(…)

Verlenging van de algemene asielprocedure

De IND maakt terughoudend gebruik van de mogelijkheid in artikel 3.115 lid 1, Vb, om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen.

(...)”

15.4

In paragraaf C1/2.4 van de Vc 2000 is voor zover relevant het volgende vermeld.

“Aanmeldcentrum Schiphol en de gesloten verlengde asielprocedure

De IND bepaalt na het eerste gehoor of het nader gehoor of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in de verlengde asielprocedure, onder voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6 Vw. Dit wordt de gesloten verlengde asielprocedure genoemd.

De procedure, waarmee een grenslogies wordt aangewezen als plaats of ruimte bedoeld in artikel 6 Vw, waar de vreemdeling zich moet ophouden, staat beschreven in paragraaf A5/3Vc.

De IND past de gesloten verlengde asielprocedure uitsluitend in de volgende gevallen toe:

• er is nader onderzoek noodzakelijk naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, om te beoordelen of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden afgewezen;

• de IND heeft vastgesteld dat er sprake is van misbruik van de asielprocedure of fraude;

• de vreemdeling is de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 13, in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder d of e, SGC;

• de IND zal mogelijk de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijzen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag als beschreven in C2/6.2.8 Vc;

• na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, wordt door de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen of het beroep tegen het besluit van de IND gegrond verklaard om redenen die niet inhoudelijk zijn maar verband houden met de procedureregels”

15.5

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, zoals ook in de hiervoor genoemde brief van [persoon 3] van 5 maart 2015 is verwoord, dat er geen grondslag bestond de aanvraag van verzoeker verder in de GVA-procedure af te handelen en dat het rapport van gehoor, in combinatie met de overige feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier blijken, voldoende is om de asielaanvraag (in de AA-procedure) te kunnen beoordelen.

15.6

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat indien uit de informatie van het gehoor of uit het dossier zelf was gebleken dat er nader onderzoek door verweerder noodzakelijk zou zijn, in deze zaak, na afstemming van juridische zaken, de procesbeslissing zou zijn genomen om de aanvraag verder in de GVA-procedure te behandelen. Het belang in de zaak, de relatie met het ISH en de instructies vooraf aan de medewerkers maken niet dat daarover anders zou zijn geoordeeld.

15.7.

De voorzieningenrechter heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten dat een GVA-afdoening op voorhand was uitgesloten. Wel is gebleken dat verweerder de keuze daartoe zeer zorgvuldig wilde afwegen. Dat de zaak zelf een behandeling in de GVA rechtvaardigde, is door de gemachtigde met name gebaseerd op zijn visie dat deze aanvraag zich door de door hem gestelde juridische complexiteit, de zwaarwegende belangen en de voorgeschiedenis niet leent voor afdoening in AA. Hij heeft evenwel niet weersproken dat geen van de vijf criteria voor een GVA-behandeling, zoals genoemd in paragraaf C1/2.4 van de Vc 2000 hier aan de orde is. Hoewel de gemachtigde de wens heeft uitgesproken dat verweerder de minister van Buitenlandse Zaken zal verzoeken om een individueel ambtsbericht uit te brengen, is verweerder de noodzaak daartoe niet gebleken. Dat die noodzaak zonder meer gegeven is, heeft ook de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt. Welk ander tijdrovend onderzoek (door verweerder) is geboden, is evenmin concreet gemaakt. Ook het dossier zelf en het verhandelde ter zitting bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen ruimte om te oordelen dat verweerder de behandeling van de herhaalde aanvraag van verzoeker niet in de AA-procedure heeft kunnen afdoen. Dit leidt ertoe dat ook de inhoud van de zaak geen belemmering vormde voor verweerder om de AA-procedure op 6 maart 2015 te hervatten.

Conclusie

16. Gezien het vorenstaande kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en kan deze slechts tot ongegrondverklaring van het beroep leiden. De voorzieningenrechter zal dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep beslissen. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang zal afwijzen.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/5022,

- verklaart het beroep ongegrond;


in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/5023,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2015.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: MP

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.